3,798 research outputs found
Prostitutie en georganiseerde criminaliteit? De aanpak van wantoestanden binnen de sector
Los van morele opvattingen rond prostitutie, toont wetenschappelijk onderzoek aan dat prostitutie soms verweven is met criminaliteit. In het geval van uitbuiting en mensenhandel wordt vaak de link gelegd met georganiseerde criminaliteit: criminele organisaties, groepen of netwerken worden verondersteld de handel in vrouwen te organiseren. In deze bijdrage vragen we ons aan de hand van een casestudie te Gent af welke niet-legale activiteiten aanwezig zijn in de prostitutiesector, in welke mate er sprake zou kunnen zijn van georganiseerde criminaliteit en hoe de lokale overheden deze fenomenen aanpakken. Zonder een exhaustief overzicht te willen bieden, identificeren we op basis van analyse van gerechtelijke dossiers en interviews met prostituees en sleutelfiguren sociale fraude en uitbuiting als belangrijke niet-legale activiteiten in de prostitutiesector. Een aantal zaken bemoeilijken de formulering van duidelijke uitspraken over de relatie tussen deze fenomenen en georganiseerde criminaliteit. De aanpak van wantoestanden in de sector blijkt hoofdzakelijk gericht op repressie en in mindere mate op preventie. Verder merken we dat de aanwezige lokale hulpverlening aan sekswerkers voornamelijk om medische redenen wordt gebruikt, en minder om wantoestanden aan te pakken
Moderne slavernij of gewoon werk?
__Abstract__
Rede,
uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van
bijzonder hoogleraar Migratie, toezicht en criminaliteit aan
de Erasmus Universiteit Rotterdam te Rotterdam
op 2 december 201
Mensenhandel en prostitutie: bestraffing of zelfregulering ter voorkoming van bewust gebruik van gedwongen prostitutie en gedwongen arbeid
Crimmigratie en de morele economie van illegale vreemdelingen
In haar openbare les uit 2009 beschrijft Van der Leun het proces van ‘crimmigratie’,
de samensmelting van strafrecht en migratiewetgeving, en gaat ze in op de
vraag of dit proces zich ook in Nederland voordoet.1 Ze behandelt dit aan de hand
van drie elementen: de aanpak van mensenhandel en mensensmokkel, de mogelijke
strafbaarstelling illegaal verblijf, en de ongewenstverklaringen. Het aantal
ongewenstverklaringen blijkt sinds 2000 fors te zijn toegenomen: van 750 personen
naar 1750 personen in 2005 − en lijkt zich nu te stabiliseren rond 1500 personen.
De strafrechtelijke aanpak van mensenhandel en mensensmokkel richt
zich primair op de werkgevers, de mensensmokkelaars en de huisjesmelkers en
niet zozeer op de vermeende slachtoffers. Ook was er in 2009 geen sprake van
een kabinet dat illegaal verblijf op dat moment strafbaar wilde stellen. Integendeel,
in het debat dat in die periode over strafbaarstelling van illegaal verblijf
werd gevoerd, was de eindconclusie om hiervan verder af te zien vanuit de
gedachte dat deze strafbaarstelling weinig zou toevoegen aan het palet van middelen
dat de overheid al ter beschikking stond om illegaal verblijf te ontmoedigen
en aan te pakken. Van der Leun concludeert dan ook dat als er al sprake is van
samensmelting van het strafrecht en migratiewetgeving, het dan toch vooral om
selectieve vormen gaat en stelt voorzichtig dat er ‘tekenen van crimmigratie
zichtbaar zijn’. In deze bijdrage zal ik mij allereerst kort richten op het beantwoorden
van de vraag of dit als gematigd getypeerde proces van crimmigratie inmiddels
niet een stap verder is. In de tweede plaats zal ik de vraag beantwoorden wat
de consequenties zijn van dit proces van crimmigratie voor het verblijf van illegale
vreemdelingen in Nederland. Ik zal bij de beantwoording van deze laatste vraag
vrijelijk putten uit Nederlands onderzoek dat sinds het midden van de jaren
negentig van de vorige eeuw is verricht onder illegale vreemdelingen. ..
Werken in de marge
A large number of former unaccompanied minors in the Netherlands leave for unknown destinations during the asylum procedure or after being rejected. In this contribution the authors provide answers to the question how undocumented (former) unaccompanied minors provide for their iving and housing. The study is based on interviews with 118 former undocumented unaccompanied minors who were recruited through the personal networks of the researchers and through contacts with representatives of (private) organizations who support the youngsters. The undocumented minors are excluded from formal employment as well as provisions of the welfare state. By far the largest group of the undocumented (former) unaccompanied minors has never been involved in criminal activities and only one third of them work in the informal economy. The sectors in which these youngsters perform informal work vary from cleaning and construction to catering and personal services. The work is characterized by uncertain working hours. There are often few hours available and the work often takes place on call. The pay is meagre and few respondents can survive exclusively on their earnings. The undocumented (former) unaccompanied minors are mainly supported by friends and private organizations for their living and housing. It is because of this support that the youngsters do not roam the streets and can continue their illegal stay in the Netherlands. The strong orientation of the youngsters towards a lawful residence in the Netherlands causes them to fear the risks of arrest while working, so they rather settle for the limited support of private organizations and friends. The support of private organizations and the focus of the youngsters towards a lawful stay thus constitute a buffer against exploitation
Joggli Meihuizen, Richard Fiebig en de uitbuiting van de Nederlandse industrie 1940-1945; Joggli Meihuizen, Het Proces-Fiebig. Over exploitatie en plundering van de Nederlandse industrie in de Tweede Wereldoorlog
Handleiding basisvorming over intrafamiliaal en seksueel geweld voor zorgverleners in Belgische ziekenhuizen
- …
