Het idee dat de overheid zou moeten sturen op geluk is meer dan 200 jaar geleden al bepleit
door Jeremy Bentham (1789). Volgens hem moeten wij streven naar groter geluk voor een
groter aantal mensen, ook bij het maken van publieke keuzen. Dit heet in het filosofenjargon
‘politiek utilitarisme’. Of politieke sturing op geluk praktisch mogelijk is, was in de tijd van
Jeremy Bentham nog niet duidelijk. Tegenwoordig valt daar meer over te zeggen op basis van
empirisch onderzoek van de laatste 40 jaar, waarvan de resultaten zijn opgeslagen in de World
Database of Happiness (Veenhoven 2012a).
De discussie over de rol van geluk in beleid wordt geteisterd door begripsverwarring.
Daarom begin ik met een definitie van geluk, en bespreek ik verwante begrippen. Vervolgens
geef ik kort aan hoe dat geluk gemeten kan worden en wat het onderzoek met die
meetmethoden heeft opgeleverd. Op basis daarvan beantwoord ik dan de volgende vragen:
1) Kan de overheid bijdragen aan groter geluk voor een groter aantal burgers?
2) Wordt dat geen dure linkse hobby? en
3) Is de roep om sturing op geluk een voorbijgaande hype