Managementsamenvatting
Ter afsluiting van de BOPO-periode 2005-2008 is per onderzoekslijn een review
verricht. In deze review staan twee onderzoekslijnen centraal: ‘kwaliteitszorg,
schoolontwikkeling en innovatie’ en ‘bestuurlijke verhoudingen en ondersteuning’.
Het review kent drie onderdelen: (1) beleidsreconstructie, (2) internationale
ontwikkelingen en (3) uitkomsten van BOPO-studies en additioneel Nederlands
onderzoek.
Beleidsreconstructie
In het eerste hoofdstuk wordt duidelijk dat onderwijsvernieuwing een complex proces
is. Onderzoeken en evalueren van onderwijsvernieuwing betekent het zorgvuldig
analyseren van de invloed van verschillende actoren en domeinen (doelstellingen,
onderwijsmethoden, leraar, directeur, school, ondersteuning, externe beoordeling,
nationaal en lokaal beleid) op de realisatie van vernieuwingen. Het tweede hoofdstuk
brengt belangrijke kenmerken van het vernieuwingsbeleid voor het voetlicht. Uit de
analyse blijkt dat er beleidsintenties worden aangekondigd, flankerende activiteiten
worden opgezet en resultaten worden verzameld en geëvalueerd die betrekking
hebben op alle genoemde domeinen en de interacties daartussen. Voor actoren op
het lokale niveau is het wellicht niet altijd duidelijk waarom in de loop van een korte
periode aanpassingen worden doorgevoerd (minder kerndoelstellingen), nieuwe
voorstellen gelanceerd worden (leerlijnen), thema’s meer centraal worden gesteld
(kwaliteitszorg, professionalisering van leraren en directeuren), enzovoorts. Het
derde hoofdstuk gaat in op het huidige (vernieuwings)beleid voor het Primair
Onderwijs. Dit kan worden beschreven aan de hand van drie algemene
vaststellingen. Allereerst is er de vaststelling dat het huidige onderwijsbeleid wordt
gekenmerkt door deregulering en versterken van de autonomie van scholen én door
de verwachting dat scholen de kwaliteit van hun onderwijs bewijzen, verantwoorden
en borgen. Dergelijk beleid kan negatieve effecten hebben als te veel of uitsluitend
wordt gewerkt vanuit een strategie die gekenmerkt is door vooral of uitsluitend
(extern) toevoegen van technische oplossingen aan de bestaande praktijk. Sturen
door de overheid vanuit (meetbare) doelen moet gepaard gaan met het creëren van
maatregelen gericht op permanente professionele ontwikkeling van alle actoren die
verantwoordelijk zijn voor het realiseren van de beleidsdoelen. Een tweede
vaststelling is dat toekennen van autonomie aan de scholen en dus verruimen van
de lokale beslissingsruimte, een verdeling van macht en verantwoordelijkheden
impliceert over verschillende niveaus. Een permanente analyse en onderzoek van
deze “policy alignment” moet vooral gericht zijn op het verbeteren van het handelen
van professionals op meso- en microniveau. Elke beleidsmaatregel zou (vooraf)
moeten worden beoordeeld op een eventuele bijdrage aan het verbeteren van het
handelen van actoren die een centrale invloed hebben op de kwaliteit van primaire
processen (onderwijzen van leraren, leren van leerlingen). Een derde vaststelling, is
dat de afstand tussen beleidsmaatregelen en kernactiviteiten op scholen moet
worden verkleind en dat dit een opgave is zowel voor beleidsverantwoordelijken op
alle niveaus, als ook voor ondersteuners en onderzoekers. Zaken als datafeedback,
leerlingvolgsystemen, docentnetwerken, professionalisering moeten op hun waarde
worden onderzocht vanuit het criterium wat hun bijdrage is aan het versterken van de
kwaliteit van activiteiten die rechtstreeks invloed hebben op de leeropbrengsten.