510 research outputs found

    Christian Prayers and Invocations in Scandinavian Runic Inscriptions from the Viking Age and Middle Ages

    No full text
    Previous studies of Christian runic inscriptions have tended to deal with par­tic­ular types of inscription from defined periods of time. This article analyses all the relevant Scandinavian runic material from the Viking Age and the Middle Ages, focusing on textual features and material contexts of inscriptions that use prayers and invocations. Its main aim is to explore the dynamics of what may be termed “the runic prayer tradition” with a view to identifying potentially stable elements of this tradition as well as those that alter over time. Two main categories of prayer and invocation explored are formulations in the vernacular and in Church Latin. The results of the study reveal various possibilities of variation in the runic prayer tradition, but also suggest links and overlaps between the earlier and later vernacular prayers. The evidence further suggests some sort of a division between a monumental (or public) form of discourse in connection with rune-stones, grave monuments and church buildings — which are dominated by vernacular prayers — and that of various loose objects, where Latin prayer formulas seem to be favoured

    Ett bidrag till teorin om det svenska perfektums utveckling

    Get PDF
    An attempt is made to account for the development of the Swedish perfect tense. The analysis is based on Kuiylowicz’s theory on the origin of temporal categories. The Swedish perfect tense is derived from periphrastic present constructions which denote present states resulting from past events. The constructions tend to develop the temporal meaning of Past (Praeteritality while gradually reducing that of Present (Presentavity). This development is caused by the processes of delexicalization and grammaticalization. The Swedish perfect tense, however, has not yet reached the stage of pure Praeteritality though in certain contexts it can already be determined by temporal adverbs primarily referring to the Past

    Vem är ”en riktig älvdaling”? Identitetsmarkörer i dagens Älvdalen

    Get PDF
    The article is a short analysis of the concept of identity among the population of Älvdalen Municipality and the role of the local dialect Övdalian as an indicator of this identity. The population of Älvdalen Municipality is a clear example of a language group, rather than an ethnic group, which is one of the reasons why Övdalian has not been recognized as a minority language according to the The Framework Convention for the Protection of  National  Minorities and European Charter for Regional or Minority Languages.  The local vernacular has lost its former major significance as the carrier of identity and plays nowadays merely a symbolic role. To be “a member of the Övdalian community” is associated today more with the sense of common ancestry and tradition than with the ability of speaking the local vernacular. On the other hand, people from Älvdalen Municipality consider Övdalian as the major factor that unites them

    Not on the edge: the syntax and pragmatics of clause-initial negation in Swedish

    Get PDF
    The possibility of topicalizing sentential negation is severely restricted in the Germanic V2-languages. In this paper, we show that negative preposing was more frequent and less restricted in earlier stages of Swedish: approx. 8 % of all occurrences of negation are clause initial in Old Swedish, compared to less than 0.5 % in present day Swedish. We propose that this change in frequency can be traced to the syntactic status of the negative element. More specifically, we argue that Old Swedish eigh 'not' may function as a syntactic head and cliticize to the finite verb in [C-0]. This possibility is not open to the XP inte 'not' in Modern Swedish. In Modern Swedish, we argue that the restrictions on negative preposing instead are related to more general pragmatic restrictions on the information expressed in [Spec,CP]: according to our hypothesis, negative preposing is licensed by contrast

    The portormin (dunbeath) runestone

    Get PDF
    A stone with a short runic inscription was discovered on the beach at Portormin Harbour in Dunbeath, Caithness, in 1996. The find attracted some press attention at the time, but has been largely ignored by the runological com­mu­nity amid doubts over its authenticity. There has, however, been no detailed dis­cussion of the stone in a public arena. A description of the inscription is followed by discussion of several interpretations. There are good reasons for suspecting that the carvings are of modern origin, but the matter cannot be settled with certainty; the case invites comparison with the controversies sur­rounding runic inscriptions in North America

    From pagan charms to pious prayers? A case study of two runic formulas

    Get PDF
    Emnet for dette bidraget er to runeformler fra ulike tidsepoker. De er strukturelt nokså likt gjennomført ved enderim og “[v]ekslende initialer med faste repetisjoner” (Nordby 2018: 109). Den ene er den velkjente þistill-mistill-kistill-formelen, som først opptrer på den danske Gørlevsteinen rundt 800–850 e.Kr., den andre er den yngre horn-þorn-korn-formelen, som er ristet inn i kalkpuss i to gotlandske kirker og på en blyamulett fra Kællingeby. Denne type formler kobles gjerne til en opplæringskontekst, særlig horn-þorn-korn. Artikkelen argumenterer for en symbiose mellom hedenske og kristne allegorier som kommer til syne i ulike kontekster. Det argumenteres for en interaksjon mellom folkemagi og kristne bønner som tar i bruk både hedenske og kristne virkemidler. Den prototypiske vernefunksjonen av de to formlene kommer tydelig fram på amulettinnskrifter fra middelalderen, jf. þistill-mistill-kistill-formelen på Vedslet-sandsteinamuletten (DR 57) og horn-þorn-korn-formelen på Kællingeby-blyamuletten (DK Bh 20).publishedVersio

    Runes around the North Sea and on the Continent AD 150-700; texts & contexts

    Get PDF
    Het onderzoek naar de oudste runeninscripties van het Europese continent, Engeland en Denemarken voerde onderzoekster van Liverpool aan de Ierse Zee naar Constanza aan de Zwarte Zee; van Zürich naar Bergen; van Parijs naar Stockholm. In dit enorme gebied kende men reeds bij het begin van de vroege middeleeuwen het runenschrift (rond 500 AD). Ergens in dit gebied moet een kern gelegen hebben, waar het begon - vermoedelijk in de eerste eeuw AD. Het localiseren van dat oorsprongsgebied begon me in de loop van het onderzoek te intrigeren. Het doel was in eerste instantie het inventariseren, het beschrijven en analyseren van runenteksten uit de oudste periode: 150-700 AD. Als onderzoekscorpus waren de runentradities rondom de Noordzee en van het continent uitgekozen. Het uitgangspunt was nadrukkelijk niet Scandinavië, zoals bij runenstudies meestal het geval. Ik meende, dat een verandering van perspectief nieuw licht op oude runologische vraagstukken zou kunnen werpen - en daardoor wellicht bijdragen tot oplossingen. Bovendien wilde ik me niet op één land of traditie vastleggen, maar door middel van het vergelijken van diverse runentradities proberen meer inzicht te krijgen in doel en wezen van het runenschrift. Waarom ontwikkelde men dit schrift, met welk doel werd het gebruikt, en door wie? Om dit soort vragen te beantwoorden, was het nodig om inzicht te verkrijgen in de cultuur-historische context van de inscriptiedragers. Archeologie en historie bleken onmisbare informatiebronnen; ook de (plaats)naamkunde leverde belangrijke gegevens ten aanzien van het relatief enorme aantal namen in de runencorpora. Runologie heeft in principe twee poten: paleografie en historische taalkunde. Eerst inspecteert men persoonlijk de objecten en hun inscripties en vervolgens ontcijfert men de runen. Daarna verkrijgt men één of meer lezingen, weergegeven als transliteraties, die dan taalkundig worden geanalyseerd. Deze teksten kunnen niet zonder hun archeologische en historische contexten begrepen worden, vandaar de titel ‘Runes around the North Sea and on the Continent AD 150-700; Texts and Contexts. Het boek bestaat uit twee delen; eerst een viertal hoofdstukken met algemene en specifieke vraagstukken; het tweede deel is de Catalogus van alle onderzochte runenobjecten. Het eerste hoofdstuk betreft een algemene inleiding, het tweede hoofdstuk behandelt de cultuurhistorische achtergronden. Hier was het doel recente inzichten uit archeologie en runologie te combineren. Deze combinatie resulteerde o.a. in een zoektocht naar de oorsprong van het runenschrift. In hoofdstuk drie wordt een nieuwe theorie over deze oorsprong gepresenteerd met een voorstel over de ontwikkeling van de runen uit een archaïsch Italisch alfabet. Hoofdstuk vier bestaat uit een algemene samenvatting en conclusies. Aan diverse aspecten van individuele runen en inscripties is aandacht besteed, maar ook en vooral is gezocht naar overeenkomsten van en verschillen in teksten en inscripties. Zo valt bijvoorbeeld inzicht te verkrijgen in de verbreiding van het runenschrift, en, daaruit voortvloeiend, in de contacten tussen verschillende Germaanse volkeren. Tevens is gekeken naar de plaats en betekenis van het runenschrift in de Germaanse samenleving. De catalogus behandelt vijf corpora: (1) de vroege Deense en Zuidoost- Europese inscripties, (2) de Bracteaten, (3) de Continentale inscripties, (4) de vroege Engelse en (5) de Nederlandse inscripties. In zogenaamde “checklists” wordt informatie geleverd over de objecten, de vinden bewaarplaats, de datering, de runenvormen, de leesrichting, de taal, de lezing en transliteratie, de interpretatie(s), etc. Er zijn ruim 200 inscripties behandeld. De corpora zijn verdeeld in leesbare en (gedeeltelijk) interpreteerbare inscripties en onleesbare, c.q. oninterpreteerbare. Dan is er nog de categorie pseudo-runen of geen runen, en zijn er de onvermijdelijke falsificaties. Van de 170 leesbare en interpreteerbare zijn er 50 waarvoor een nieuwe interpretatie en/of lezing wordt voorgesteld. In het eerste deel van het boek wordt vrij uitgebreid aandacht besteed aan de vroege runentijd: de Romeinse keizertijd, de Volksverhuizingstijd en de Merovingische tijd, met nadruk op gegevens uit de archeologie. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag waar en waarom het runenschrift ontstaan zou kunnen zijn. Deze vraag kwam niet voort uit een primaire behoefte om het oorsprongsgebied te zoeken, maar werd ingegeven doordat het opviel dat er zoveel West-Germaanse namen in het oudste materiaal voorkomen. Dat wil zeggen, de uitgangen van de namen waren moeilijk vanuit het Noord-Germaans te verklaren, maar eenvoudig indien men aannam, dat ze West-Germaans waren. Al in eerder onderzoek was de gedachte opgekomen, om het ontstaan van het runenalfabet in de buurt van een andere schriftcultuur te zoeken, langs de limes, bijvoorbeeld. Bovendien bleken de ingeritste persoonsnamen opvallend vaak afgeleid van namen van stammen die op het continent woonden. Vooral de namen van twee wapensmeden uit het noorden wijzen op afkomst uit het Rijnland: wagnijo en niþijo, afgeleid van de Vangiones en de Nidenses. Een derde naam, harja, wijst op verwantschap met de Harii, een sub-stam van de Lugii, wonend in Noord-Polen. Afleidingen van Harja komen in het latere Scandinavië niet voor, maar worden wel veel aangetroffen in het West-Germaans, vooral in het Neder-Rijngebied. Toen ik deze gegevens vergeleek met archeologische bevindingen omtrent de herkomst van de inschriftdragers, bleek dit in het geval van de kam met het inschrift harja te kloppen. De kam was gevonden in het Vimose moeras op het eiland Funen. Dit depot (ca. 160 AD) bleek afkomstig uit de regio zuidelijk van de Oostzee. De runenobjecten uit het Thorsberg moeras (Schleswig-Holstein) bleken afkomstig uit West-Germaans gebied. Met betrekking tot de objecten uit het Illerup moeras in Jutland was de weg iets ingewikkelder: de wapens uit dit depot (ca. 200 AD) kwamen uit het noorden, maar de namen wezen op zuidelijke, West-Germaans-sprekende streken. Toen duidelijk was geworden dat er wapenhandel tussen de Rijnstreek en het noorden is geweest, kon ik een link leggen. Het Illerup-onderzoek van de Deense archeoloog Ilkjær (1990, 1991, 1993, 1996a&b) was van zeer grote waarde voor mijn eigen onderzoek. De naam harja en zijn afkomst kon nog eens bevestigd worden door een tweede inscriptie, uit Zweden, op een steen (Skåäng): harijaz leugaz, wijzend op zowel de Harii als de Lugii. Zoals gezegd, viel op dat veel namen een West-Germaanse vorm hadden, alhoewel de objecten waarop de namen voorkwamen, waren gevonden in Deense moerassen en graven. Tot ongeveer 500 AD bestond de gewoonte om krijgsbuit te offeren in een moeras. Deze buit was afkomstig van de verliezers, die uit een andere streek kwamen. Archeologen konden in een aantal gevallen vaststellen waar de opeenvolgende depots (een depot is een geheel van tegelijkertijd geofferde voorwerpen) vandaan kwamen. De objecten met runen in rijke Deense vrouwengraven, zoals die van Himlingøje, waren inheems, maar droegen ook vaak West-Germaanse namen. Zo wees veel op een West-Germaans gebied als leverancier van personen die runen schreven. Dan ligt het voor de hand te kijken welk gebied het meest in aanmerking kon komen. Dat bleek naar mijn mening het gebied van de Ubiërs te zijn, in het Rijnland. In dit grensgebied tussen het Romeinse rijk en het vrije Germania leefden Romeinen en Germanen over het algemeen in goede verstandhouding. Hier kon zich een cultureel amalgaam ontwikkelen, gunstig voor de adaptatie van een schrift. De Romeinse invloed blijkt niet alleen uit de gelijkenis van het runenalfabet met Noord-Italische alfabetten, maar ook uit de toepassing van het schrift: de runeninscripties geven vooral namen van eigenaars en makers. Een archaïsch Italisch alfabet zou als voorbeeld kunnen hebben gediend voor het runenalfabet. Derks (1996) heeft in zijn proefschrift aangetoond, dat de matronencultuur van het Rijnland en die van Noord-Italië grote overeenkomsten kenden. Personen afkomstig uit Noord-Italië integreerden in het (schriftloze) Rijnland en introduceerden daar schrift, i.c. votiefinscripties op de matronenbeelden. Het is niet uitgesloten dat deze veteranen uit het Romeinse leger, afkomstig uit Piemonte en de Po-streek, een Noord-Italisch alfabet kenden en dat meebrachten naar hun nieuwe woongebied. In Noord-Italië zijn diverse varianten van het oude Etruskische alfabet overgeleverd. In de eerste eeuw AD zullen deze archaïsche alfabetten in Italië zijn verdrongen door het officiële Romeinse alfabet. Maar misschien mag men aannemen dat het runenalfabet in de eerste eeuw AD is ontwikkeld, en dat een archaïsch Noord-Italisch alfabet tot in de eerste eeuw heeft kunnen voortbestaan in bepaalde uithoeken van het Romeinse Rijk. Inderdaad zijn de officiële Romeinse teksten in het Latijns alfabet, maar maakt dit de mogelijkheid ondenkbaar dat (een) bepaalde bevolkingsgroep(en) nog een tijdlang een ouderwets schrift gebruikte? Hoe dan ook, de runen zelf dragen het kenmerk van een archaïsch alfabet; hun voorbeeld moet daarom ook een archaïsch alfabet zijn geweest. Andere verbreiders van Romeinse cultuur waren de Germaanse soldaten, die jarenlang in Romeinse dienst hadden doorgebracht, en als geletterden en Romeinse burgers terugkeerden naar hun Germaanse vaderland. Wat betreft de vermelding van de conclusies van het onderzoek is gekozen voor de volgende opzet. Aan het eind van hoofdstuk III staan de conclusies over de oorsprong van het runenschrift. In hoofdstuk IV, Summary and Some More Conclusions, is een algemeen en uitvoerig overzicht van de resultaten van het onderzoek in zijn geheel opgenomen. In het tweede deel, de Catalogus, wordt ieder afzonderlijk corpus voorafgegaan door een korte inleiding en afgesloten met een korte samenvatting en conclusies. Wat betreft de inhoud van de inscripties, is een classificatie gemaakt naar de volgende categorieën: 1. één of meer persoonsnamen; 2. zinnen (met werkwoordsvorm); 3. opdrachten (giften); 4. naam van het object, of het materiaal; 5. makers en schrijvers formulae; 6. ek (ik) plus naam, of adjectief, etc.; 7. ‘magische’ woorden etc.; 8. fuþark inscripties. In de Concordance vindt men alfabetisch de getranslitereerde runenvocabulaire, gevolgd door de naam van het object, meestal tevens de vindplaats. In de Index of Inscriptions staat de naam c.q. vindplaats voorop, gevolgd door de getranslitereerde tekst van de hele inscriptie en daarachter de pagina waarop object en runen worden beschreven. In het algemeen kan worden gezegd dat inscripties vooral worden aangetroffen in een context die wijst op een gebruik van het runenschrift in de hogere echelons van de samenleving. Wat betreft de oudste inscripties, die vooral in Denemarken gevonden zijn, is de context die van hoge militairen en rijke vrouwen. In vrijwel alle gevallen wordt de exclusiviteit benadrukt door de aanwezigheid van prestigieuze Romeinse voorwerpen. Dit beeld blijft zo gedurende enkele eeuwen, tot in de Volksverhuizingstijd. Nog korte tijd daarna blijven met runen beschreven objecten, zoals wapens en juwelen, voornamelijk beperkt tot de elite, maar verdwijnt de Romeinse connotatie. Vooral de Merovingische rijengrafvelden in Zuid-Duitsland leverden relatief veel runenobjecten op uit vrijwel uitsluitend rijke graven. In Friesland en Engeland is de context wat schraler: de objecten zijn niet altijd van kostbaar materiaal en de eigenaars van runenobjecten lijken van eenvoudiger komaf. De context: graven (in Engeland) of losse vondsten uit terpen (Friesland en Groningen) wijst lang niet altijd op luxueuze omstandigheden. De runentradities van Scandinavië, Duitsland, Nederland en Engeland kenden alle een eigen ontwikkeling, die voortbouwde op een initieel langdurig consistent blijvend systeem, waardoor men wel eens het bestaan van een runen-koine heeft verondersteld. Dergelijke specifieke overeenkomsten in de runentradities wijzen op contacten tussen een kleine groep. Deze groep zal gelieerd zijn geweest aan de politieke top, degenen die de verschillende stammen tot staten opbouwden, hetgeen al begon in de tijd van het Romeinse Rijk. Runen konden zich, wellicht mede daardoor, ook nog handhaven na de Volksverhuizingstijd. Gezien het soort objecten, hebben de inscripties (ook) een functie gehad in de bevestiging van bepaalde relaties binnen een kleine, geprivilegieerde groep, behorend tot de maatschappelijke top. Gedurende de Volksverhuizingstijd (vierde - zesde eeuw) werd het runenschrift verspreid over een groot deel van West- en Midden-Europa. De aard van de teksten blijft dezelfde. De runen zelf worden in meer of mindere mate aangepast aan de tongval in de verschillende gebieden. Pas na ongeveer de zesde eeuw vinden we inscripties met geheel andere soort teksten, lang, informatief, soms poëtisch van aard. Deze ommekeer maakt tevens duidelijk dat inmiddels het lezen en schrijven van runen bij meerdere lagen van de bevolking bekend is geworden. De teksten worden dan ook meer gebruiksteksten, voor diverse doeleinden. De toepassing blijft onveranderd epigrafisch, behalve bij de Angelsaksen, die runen, naast het Latijnse schrift, in hun manuscripten opnemen. Handelscontacten tussen Engeland, Friesland en Jutland blijken uit de runenmunten, zoals de sceattas. In Zuid-Oost Europa blijken de weinige runenobjecten aan de (Oost-)Goten te kunnen worden toegewezen. De weinige vondsten in Hongarije en Zwitserland wijzen vermoedelijk niet op inheemse runentradities. De enkele runenvondsten uit België en Frankrijk kunnen daarentegen getuigen van mogelijke runenkennis bij de Franken. Het is opvallend dat, gezien hun datering, de eerste Zuid-Duitse runenobjecten samenvallen met het begin van de Merovingische suprematie (ca. 500 AD). De overheid van Engeland en Friesland was sterk Merovingisch beïnvloed, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit de numismatiek. En dan zijn er twee historische 6eeeuwse Merovingers, die getuigen van hun runenkennis: Venantius Fortunatus en koning Chilperic. Het recent gevonden zwaardschedebeslag met runen in de Betuwe heeft een Frankische connotatie. Toekomstig runologisch onderzoek zou zich dan ook moeten richten op de mogelijkheid van een Frankische runentraditie, en de teloorgang daarvan. Al met al kan men concluderen, dat de diverse runentradities uit de periode 150-700 AD niet wijzen op een schrift dat vooral communicatief van aard was. Eerder lijken de oudste inscripties te duiden op een gebruik dat beperkt werd tot een ornamentele toevoeging. De teksten bestaan over het algemeen uit korte mededelingen: makers- en schrijversformules, opdrachten, namen van object en materiaal, onbekende woorden waarvan men aaneemt dat ze een magische of religieuze betekenis hadden. Men signeerde, men benoemde, men hield iets belangrijks vast met letters, met woorden, met taal. Voor zover we de teksten kunnen beoordelen, zijn ze sterk formulatief en vertonen grote overeenkomsten over een groot gebied. De orthografie is zeer nauwkeurig; men hechtte er kennelijk grote waarde aan de klanken van de taal goed te onderscheiden en weer te geven. Juist deze zorgvuldige behandeling en het formulatieve karakter wijzen op vakmanschap. Het lijkt voor de hand te liggen om de runenschrijvers onder bepaalde handwerkslieden te zoeken, zoals wapensmeden en juweliers. De artistieke inspiratie en de hoogstaande techniek zullen, net als de runen zelf, zijn voortgekomen uit de belangrijkste cultuur van het Europa uit het begin van de jaartelling: de Romeinse. Het meest intrigerend en verbazingwekkend is, dat de Germanen zowel de kunst als het schrift naar hun eigen hand hebben gezet. De runentradities gaan uiteindelijk steeds sterker van elkaar verschillen. In het Fries215 Groninger terpengebied wordt de crossroads positie van het gebied in de runen weerspiegeld: diverse invloeden uit Engeland en Denemarken zijn in de Friese inscripties te traceren. Een algemener gebruik van runen blijkt ook uit een grotere diversiteit van materiaal en soort objecten, maar ook omdat er steeds meer echte zinnen voorkomen, terwijl bijvoorbeeld in het Continentale Corpus vaak volstaan werd met een paar namen en hooguit wat toevoegingen. Runenvariaties zoals verdubbelingen, gespiegelde runen, ornamentele runen etc. lijken thuis te horen in de Noordzee-traditie, te weten de Deense, Nederlandse en Engelse corpora. Een aparte groep vormen de gouden runen-bracteaten (uit omtrent 575-625), die voor dit onderzoek geselecteerd zijn op leesbaarheid. Alhoewel enige voorzichtigheid betracht moet worden met bracteaten-runen, die notoir zijn wegens hun afwijkende vormen, zijn de bracteaten als groep onmisbaar vanwege het relatief grote aantal: er zijn bijna evenveel bracteaten met runen bekend als andere objecten met runen uit de eerste vier of vijf eeuwen. Bovendien zijn de bracteaten belangrijk voor het bestuderen van de sociale rol van het runenschrift. Bracteaten zijn amuletten, geïnspireerd op Romeinse keizermedaillons en dus interessant vanwege de bestudering van de Romeins-Germaanse betrekkingen. Bracteaten dienden waarschijnlijk ook als insignia, die bij initiatieriten van jonge krijgers hoorden. Uit de iconografie blijkt een bepaalde leiderscultus, maar er kunnen ook mythologische aspecten in gezien worden. De bracteaten hadden een ideologische, dan wel religieuze waarde. Bij het onderzoeken van mogelijk magische, of symbolische connotaties van objecten met runen, spelen de bracteaten een grote rol. Runen en prestigegoederen zijn onlosmakelijk verbonden in de Germaanse samenleving van de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Dit alles hangt samen met een maatschappelijke structuur, die bekend is als het gift-and-exchange systeem, waar een leider en zijn comitatus aan elkaar verbonden zijn door een subtiel systeem van geven en nemen. Kostbare objecten benadrukten de band tussen heer en volgeling; een object met runen verhoogde niet alleen de waarde van het object, maar vooral de intrinsieke waarde van de relatie tussen gever en ontvanger. Een waarschuwing is op zijn plaats. We hebben te maken met runenobjecten, die puur toevallig bekend zijn geraakt. Deze objecten worden gevonden bij archeologische opgravingen, die ook een mate van toevalligheid kennen. Voorts zijn er nogal wat ‘losse vondsten’, al of niet met een context. Het is daarom heel wel mogelijk dat het materiaal dat we hebben, een scheef beeld geeft van het destijdse runengebruik. Alle conclusies kunnen dus alleen onder voorbehoud zijn. Het opstellen van runenchronologieën is dan ook van beperkte waarde. Het dateren aan de hand van bepaalde runenvormen is vrijwel onmogelijk. Iedere nieuwe vondst kan de hele perceptie veranderen. Toch is het van groot belang om de runenobjecten en hun context te blijven bestuderen. Niet alleen vanwege de grote cultuur-historische waarde, maar ook omdat het onze oudste taalmonumenten zijn. Dit onderzoek heeft op basis van de taalkunde in combinatie met archeologie kunnen wijzen op de sterke West-Germaanse inslag van de oudste runenobjecten. Tot nu toe werd altijd aangenomen dat Scandinavië de bakermat van de runencultuur was. Ik hoop dat beeld iets te hebben bijgesteld. Het inzien van de mogelijke West-Germaanse oorsprong van het runenschrift heeft consequenties voor de interpretaties en wellicht ook voor de datering van sommige runenteksten

    The background of the odal rights: an archaeological discussion

    Get PDF
    The age and origin of the odal rights known from medieval times in Sweden and Norway are debated. Archaeologists tend to view them as old and a part of the pre-Christian society, whereas historians and legal historians view them as established after Christianity was introduced, mirroring canonical laws. In Viking Age runic inscriptions from the eleventh century in the lake Mälaren valley in Sweden, from late tenth to eleventh century in south-western Norway, the term odal, inherited family land occurs together with other expressions concerning landed property. Furthermore, two runestones in Småland and Hälsingland in Sweden, c. 650 km apart, each enumerate five earlier ancestors in a male lineage, the sponsor himself being the sixth generation. As these runic inscriptions were made in different parts of Scandinavia during the late tenth and eleventh century, this indicates that the term and concept odal was widespread already before the canonic laws of the early medieval period were introduced, and quite possibly belongs to an older inheritance structure. The aim of this article is a renewed discussion focussing on the runological sources where the term and concept odal can be found in the Viking Age Scandinavian society (c. 750–1050 CE), but also early medieval written sources. Thereafter, archaeological sources from the Late Iron Age are addressed (c. 550–1050 CE)

    New perspectives on Müller, Meyer, Schmidt : computer-based surname geography and the German Surname Atlas Project

    Get PDF
    In order to understand the specific structures and features of the German surnames the most important facts about their emergence and history should be outlined and, at the same time, be compared with the Swedish surnames because there are considerable differences (for further details cf. Nubling 1997 a, b). First of all, surnames in Germany emerged rather early, with the first instances occurring in the 11th century in southern Germany; by the 16th century surnames were common all over Germany. Differences are related to geography (from south to north), social class (from the upper to the lower classes) und urban versus rural areas
    corecore