46,587 research outputs found
"Because I simply wish children to have a very good future!" Experiences of parents with child protection services
We weten nog maar weinig over de ervaringen van ouders met de jeugdbescherming. Wanneer ouders betrokken zijn in wetenschappelijk onderzoek over jeugd-bescherming, gaat dit vaak over kenmerken van een ouder, bijvoorbeeld in het kader van risicofactoren en beschermende factoren voor kindermishandeling. Daarom geeft dit onderzoek ouders de mogelijkheid te reflecteren op het jeugdbeschermingssysteem, met als doel zicht te krijgen op hun ervaringen. Kennis van de ervaringen van ouders kan inzicht geven in wat ouders nodig hebben en hoe het jeugdbeschermingsstelsel beter kan aansluiten bij hun behoeften
Mam, zal ik jou voorlezen?:onderwijsondersteunend handelen op het gebied van taal door ouders met een kind in groep 3, 4 of 5
De doelstelling van dit onderzoek is inzicht te krijgen in de effectiviteit en de bruikbaarheid van een ouderbetrokkenheidsmodule om het onderwijsondersteunende handelen van ouders te optimaliseren. De ouderbetrokkenheidsmodule is in dit geval onderdeel van het taalinterventieprogramma Success for All. De hoofdvraag luidt: in hoeverre is de ouderbetrokkenheidsmodule van Success for All-Nederland effectief en bruikbaar met betrekking tot het optimaliseren van het onderwijsondersteunende handelen van ouders op het gebied van taal? De hoofdvraag is geoperationaliseerd in vijf onderzoeksvragen: 1. Welke inzichten biedt de literatuur met betrekking tot het effectief optimaliseren van onderwijsondersteunend handelen van ouders? 2. Op welke wijze vindt de implementatie van de ouderbetrokkenheidsmodule van Success for All-Nederland plaats? 3. Is na blootstelling aan de interventie (de ouderbetrokkenheidsmodule van Success for All-Nederland) een verandering in het onderwijsondersteunende handelen op het gebied van taal van ouders waarneembaar? 4. Welke onderdelen van de interventie dragen volgens ouders, kinderen en leerkrachten wel of niet bij aan het optimaliseren van onderwijsondersteunend handelen van ouders op het gebied van taal? 5. Op welke wijze verhoudt het onderwijsondersteunende handelen op het gebied van taal door ouders zich tot de taalresultaten van hun kind? Het onderzoek wordt uitgevoerd in vier fasen. Elke fase resulteert in een wetenschappelijk artikel. In het eerste artikel worden onderzoeksvraag 1 en 2 beantwoord, in het tweede artikel vraag 3, in het derde artikel vraag 4 en in het laatste artikel vraag 5
Cyberbullying: which mediation techniques are used by parents and which are effective in preventing cyberbullying
De centrale vraagstelling van deze studie is in hoeverre bestaat er een relatie tussen de mediatietechnieken die ouders gebruiken ter preventie van cyberpesten en de betrokkenheid van kinderen bij cyberpesten. Tevens werd onderzocht in hoeverre er overeenstemming is tussen ouders en kinderen over het gebruik van mediatietechnieken door ouders. Dertien van de 21 aangeschreven scholen verleenden medewerking. Dit resulteerde in 538 ingevulde vragenlijsten, waarvan 279 door kinderen en 259 door ouders (responspercentage 86.5%)
Eindrapportage werkgroep Ouderbetrokkenheid
De werkgroep heeft een instrument ontwikkeld waarmee in de verschillende teams doelen, middelen, effectiviteit van middelen en wensen met betrekking tot ouderbetrokkenheid zijn geïnventariseerd. Hierbij is uitgegaan van de 4 vormen van ouderbetrokkenheid: informatievoorziening, ouderparticipatie, opvoedings-/onderwijsondersteunend gedrag en opvoedingsondersteuning. Daarnaast is er in verschillende opzetten onderzoek onder ouders gedaan naar hun verwachtingen en wensen. Hieruit is naar voren gekomen dat de teams verwachten dat ouders betrokken zijn bij hun kinderen en wat hun kinderen binnen de verschillende instellingen meemaken, een deel van de instellingen ziet zichzelf als partner in de opvoeding. Over het algemeen lijkt men nog zoekende hoe men ouders kan betrekken/meer betrokken kan krijgen. Vanuit de ouders is het beeld ontstaan dat men over het algemeen tevreden is over de instellingen, maar dat er verschillen zijn over de rol die de instelling in de opvoeding toebedeeld wordt. De volgende stap behelst de uitwisseling tussen de teams om tot een gezamenlijk beleid voor de Vensterschool te kunnen komen. Daarbij is het bepalen van de visie en doelstelling een belangrijk onderdeel, waarbij men een keuze moet maken of men zich op het kind gaat richten of op de community om via die weg de ontwikkelingskansen voor de kinderen in de wijk wil vergroten. Uit de professionals is de wens geuit het overleg met ouders en de training ‘communicatie met ouders’voort te zetten"
Kinderdoding gevolgd door een ernstige poging tot zelfdoding
Het doden van kinderen is een dramatische gebeurtenis. Deze dodingen krijgen een versterkt dramatisch karakter als de dader ook nog zichzelf doodt of een poging daartoe doet. In deze studie wordt onderzocht of kinderdoding gevolgd door een ernstige
poging tot zelfdoding een variatie op doding vormt, een variatie op zelfdoding vormt, of als een aparte categorie van dodelijk geweld moet worden beschouwd. Suïcidale ouders die hun kinderen doodden, verschillen in sociaaldemografische, individuele en daadgebonden karakteristieken van niet-suïcidale ouders die hun kind doodden, en van suïcidale ouders die hun kind(eren) niet doodden. Deze verschillen zijn zodanig, dat kinderdoding gevolgd door (een ernstige poging tot) zelfdoding als aparte groep kan worden beschouwd
Rapportage eerste jaar pilotstudie preconceptiezorg in deelgemeente Noord
Inleiding: Nederland kent hoge perinatale sterftecijfers met grote verschillen tussen etnische, sociaaleconomische en tussen mensen al dan niet wonen in een grote stad of in een zogenoemde prachtwijk (De Graaf et al.; NTVG 2008;152:2734). Zwangere vrouwen die in een grote stad wonen hebben vaker een slechte zwangerschapsuitkomst. Verklaringen hiervoor zijn dat in grote steden meer allochtone ouders en ouders met een lage sociaaleconomische status wonen, meer ouders woonachtig zijn in een prachtwijk, en in de grote steden meer sprake is van cumulatie van diverse risico’s. Ongunstige perinatale uitkomsten komen binnen de vier grote steden in Rotterdam het meest voor. In Rotterdam vormt het wonen in een prachtwijk een extra risico, vooral voor autochtone ouders. De Nederlandse situatie gaf de minister aanleiding tot de installatie van de Stuurgroep Zwangerschap en Geboorte die binnen het huidige kader verbeteringsvoorstellen voorbereidt met de beroepsgroepen. Hij kondigde verder in 2008 aan dat - in dit verband - meer voorlichting aan toekomstige ouders speerpunt van beleid werd. In Rotterdam werd op grond van de cijfers in 2008 het Aanvalsplan Perinatale Sterfte (Denktas et al, TSG 2009;87:199; www.klaarvooreenkind.nl) ontwikkeld en omgedoopt tot het programma Klaar voor een Kind dat op 1 januari 2009 van start is gegaan. De gemeente Rotterdam investeert in de ontwikkeling en start-up van nieuwe preventieprogramma’s. De GGD Rotterdam-Rijnmond en het Erasmus MC coördineren het programma via het KveK-programmabureau. Dit regisseert de activiteiten (ontwikkeling, onderzoek, implementatie, afstemming, beleid). Het programma Klaar voor een Kind voorziet in verschillende projecten en de Pilotstudie Preconceptiezorg in deelgemeente Noord is de eerste die in uitvoering
is genomen
Junctional epidermolysis bullosa
“Vlinderkinderen” worden ze genoemd, de patiëntjes met epidermolysis bullosa (EB) met een huid zo teer als de vleugels van een vlinder. Er worden zo’n 25 typen EB onderscheiden, waarvan de oorzaak in één van de 15 betrokken genen kan liggen. Junctionele epidermolysis bullosa (JEB) is een EB type met splijting door de junctionele laag tussen opperhuid en lederhuid. De adhesie-eiwitten in de junctionele laag zijn hierbij gestoord of afwezig.
In het subtype JEB, type Herlitz (JEB-H) ontbreekt laminine-332 totaal. Kinderen met JEB-H groeien niet, krijgen overal pijnlijke wonden op de huid en in de keel. De aandoening gaat gepaard met uitzichtloos, ondraaglijk lijden en is fataal binnen de eerste 3 levensjaren. Tussen 1988 tot 2011 zijn 22 kinderen met JEB-H begeleid door het Centrum voor Blaarziekten in het UMCG. In het proefschrift worden de diagnostische kenmerken en de lange termijn follow-up van deze patiënten beschreven. Ook werden de ouders geïnterviewd die een kind hadden verloren door EB; waarop wij richtlijnen baseerden voor de begeleiding van ouders die zoiets nog moeten doorstaan. Bij één van de kinderen vroegen de ouders om euthanasie, hetgeen volgens het Groningen protocol werd uitgevoerd.
Een ander deel van het proefschrift richt zich op het minder ernstige subtype JEB, type non-Herlitz (JEB-nH), waarbij patiënten wel kunnen overleven tot de volwassen leeftijd. We tonen aan dat volwassen JEB-nH patiënten al op vroege leeftijd een verhoogd risico (25%) hebben op het ontwikkelen van een agressief plaveiselcelcarcinoom, dat in 20% van de patiënten uitzaait. Een andere studie beschrijft dat biopttransplantaties, waarbij kleine huidtransplantaten in chronische wonden worden geplaatst om de wondgenezing te bevorderen, een makkelijke en effectieve behandeling is voor JEB-nH patiënten. Verder tonen we aan dat JEB of late onset veroorzaakt wordt door mutaties in het gen COL17A1.
Ouderschap en psychische aandoeningen: strategieën van ouders en externe steun
Onder de mensen met psychische aandoeningen bevinden zich veel ouders van minderjarige kinderen. Naast de behoefte aan psychiatrische en psychologische behandeling voor hun individuele problematiek,hebben veel ouders met psychische aandoeningen ook steun nodig om een gewaardeerde ouderrol in hun gezin en in de samenleving te kunnen vervullen. Deze ouders en hun kinderen zijn kwetsbaar voor stigma’s endiscriminatie (Jeffery et al., 2013). Ze krijgen soms het gevoel dat ze worden beschouwd als ongeschikte ouders. Buitenstaanders twijfelen vaak of ze wel verantwoordelijk kunnen zijn voor het maken van de juiste keuzes inzake het opvoeden van hun kinderen. Als ouders met psychische problemen wel steun krijgen, vinden ze vaak dat hulpverleners teveel controle uitoefenen op het opvoeden van hun kinderen en op het uitvoeren van andere belangrijke taken in het leven (Ackerson, 2003).Deze ouders zijn dan ook niet zelden bang voor het verlies van hun wettelijk ouderlijk gezag. Naast steun voor de ouders zelf, is de aandacht en steun voor kinderen van ouders met psychische problemen – de zogenaamde ‘kopp-kinderen’– een belangrijk punt. Deze kinderen hebben immers kans op ontwikkelingsproblemen door erfelijkheid en door psychosociale stressoren tijdens het opgroeien (Van Santvoort, Hosman, Van Doesum & Janssens,2013). Voor hen zijn er reeds verschillende effectieve interventies ontwikkeld (zie bijvoorbeeld Hosman, Van Doesum & Van Santvoort, 2009)
Ouders aan boord van de Brede School: Brede School Ahoy!
Dit boekje is het vijfde in onze Brede Schoolreeks en zoomt in op hoe Brede Scholen een partnerschap met ouders kunnen aangaan. Brede Scholen zetten in op het maximaliseren van ontwikkelingskansen van kinderen en jongeren, ouders zijn daarbij belangrijke partners. Aan de hand van het referentiekader Brede School illustreren we met tal van praktijkvoorbeelden hoe Brede Scholen een partnerschap met ouders vorm kunnen geven. Als extra zijn enkele methodieken opgenomen die inspirerend kunnen werken om vergaderingen/overleg vorm te geven
[Vlaams Gewest] Voortaan vrijstelling successierechten bij wettelijke terugkeer
Als ouders een schenking doen aan een kind, dat daarna overlijdt zonder zelf kinderen te hebben, keert die schenking terug naar de ouders. Met dat erfrechtelijke automatisme wordt nu rekening gehouden in de successierechten. De Vlaamse wetgever vindt het onlogisch dat de ouders dan successierechten zouden moeten betalen op goederen die van henzelf afkomstig zijn. Daarom worden die goederen voortaan vrijgesteld. Een conventioneel beding van terugkeer wordt daardoor echter niet noodzakelijk overbodig (decreet van 6 december 2013, BS 14 januari 2014)
- …
