Skip to main content
Article thumbnail
Location of Repository

Uit goeder affectien ende lieffde

By Bianca Granneman

Abstract

In dit onderzoek staat de positie van vrouwen in Edam centraal. Door voor een aantal jaren in de periode 1574-1675 de testamenten en huwelijkse voorwaarden te bekijken, is geprobeerd een beeld te krijgen van deze positie. Daarnaast zijn de vrouwen in Edam vergeleken met vrouwen elders in de Republiek.\ud \ud De positie van vrouwen in Edam kwam behoorlijk overeen met die van de andere vrouwen in de Republiek. Hun positie werd bepaald aan de hand van een relatie met een man of het ontbreken ervan. Volgens de wetten van de vroegmoderne tijd was een vrouw ondergeschikt aan de man. Als een vrouw trouwde, moest ze erna gehoorzaam zijn aan haar man. De rechtsgeleerde Hugo de Groot legde hier sterk de nadruk op. Hieruit zou af te leiden zijn dat getrouwde vrouwen minder handelingsvrijheid hadden dan ongetrouwde vrouwen of weduwen. \ud \ud Dit bleek in de praktijk anders uit te vallen. Van der Heijden stelt ook dat vrouwen in de Republiek in de praktijk een grotere vrijheid genoten dan de wetten doen vermoeden. \ud In Edam was dit ook het geval. Door de aanwezigheid van de visserij en ander seizoensarbeid, konden (getrouwde) vrouwen beschikken over een behoorlijke zelfstandigheid. De Moor en Van Zanden hebben aangetoond dat in 1563 een kwart van de huishoudens in Edam bestuurd werd door vrouwen. \ud \ud Ondanks de nadruk die tijdens de Reformatie werd gelegd op het patriarchaat, leek de positie van vrouwen te worden versterkt. Het werd mogelijk om te scheiden. Van der Heijden stelt dat in diverse steden de positie van de vrouwen werd versterkt onder de invloed van de Reformatie. MacCulloch stelt dat in theorie wel de nadruk werd gelegd op het belang van de vader, maar dat het in de praktijk heel moeilijk was voor een man om zijn zelfstandige vrouw te overheersen.\ud Deze zelfstandigheid had een aantal oorzaken. Ten eerste werd het door de groeiende arbeidsmarkt mogelijk dat mannen én vrouwen in loondienst gingen werken. Hierdoor konden ze vóór het huwelijk geld verdienen om een eigen huishouden op te zetten. Gevolg hiervan was dat de huwelijksleeftijd omhoog ging. Doordat vrouwen zelf geld hadden en een aantal jaren voor zichzelf hadden gezorgd, konden ze zelfstandiger handelen.\ud \ud Dit komt ook tot uiting in het recht om te testeren. Het was iedere vrouw, zowel getrouwd als ongetrouwd, toegestaan om te testeren zonder aanwezigheid van een voogd. Of vrouwen er ook gebruik van maakten, is een andere zaak. Het was in de tijd van de Republiek geen gewoonte om een testament op te maken. Het gewoonterecht voldeed aan de wensen van veel mensen, maar het moet ook in ogenschouw genomen worden dat het geld kostte om een testament op te laten maken. In ieder geval maakten de meeste mensen geen testament op. \ud \ud Als vrouwen al een testament maakten, deden ze dit voornamelijk als hun man afwezig was. In de eerste plaats gaat het hier om weduwen, die de grootste groep vrouwen vormden die testeerde in de vroegmoderne tijd. Er moet echter ook gedacht worden aan ongetrouwde vrouwen en aan vrouwen wier man afwezig was. \ud \ud In de onderzochte periode werden vijfentwintig van de zevenenzestig testamenten door vrouwen opgemaakt: bijna veertig procent! Dit getal lijkt erop te duiden dat vrouwen een behoorlijke mate van zelfstandigheid hadden in Edam. De groepen vrouwen en de verschillende jaren moeten echter afzonderlijk worden bekeken om hier echt iets over te kunnen zeggen. \ud Weduwen waren ook de grootste groep testerenden in Edam. Van de in totaal zevenenzestig onderzochte testamenten werden er veertien door hen opgemaakt, ofwel ruim twintig procent. Getrouwde en ongetrouwde vrouwen hadden een aandeel van respectievelijk vijf en zes testamenten. Het totale aantal testamenten dat door vrouwen werd opgemaakt, bedroeg acht in 1574-75, zeven in 1625-26, zeven in 1650 en drie in 1675. Het aantal liep dus sterk terug. \ud Zouden vrouwen minder geschikt worden geacht om een testament op te maken? Dit is moeilijk te zeggen. Op basis van de onderzochte testamenten kan wel gesteld worden dat het minder gewoon werd dat vrouwen een testament opmaakten. \ud Wat vertellen de testamenten die door echtparen werden opgemaakt? Zesentwintig van de testamenten werd gemaakt door echtparen, ongeveer vierenveertig procent. Hiervan werd in zesentwintig gevallen besloten dat de goederen naar de langstlevende gingen, ongeacht het de man of de vrouw was. Het duidt op een vertrouwen van de mannen in de capaciteiten van hun vrouw. Deze trend veranderde niet in de loop van de zeventiende eeuw: mannen bleven dit vertrouwen houden. \ud Echter, de mannen die met hun vrouw een testament opmaakten, vormden een minderheid van de inwoners van Edam. De meeste mensen maakten geen testament op. Het is daarom aannemelijk dat vrouwen in Edam in de meeste gevallen geen beheer kregen over de goederen na de dood van hun man. Het was immers de gewoonte in het gewest Holland dat na de dood van één van de echtgenoten de goederen weer teruggingen naar de eigen familie als er geen kinderen waren. Gesteld kan worden dat een kleine groep echtparen een testament opmaakte en dat deze een sterke gelijkheid toont van de man en de vrouw, maar dat deze groep een uitzondering vormde en dat de meeste mensen in Edam de moeite niet namen.\ud \ud Dit was ook het geval bij de huwelijkse voorwaarden. Slechts enkele echtparen maakten een huwelijkscontract op. Het was in de Republiek de gewoonte dat de goederen van beide partijen bij het huwelijk gemeenschappelijk werden en dat de man het beheer erover kreeg. Na de dood van een van beide, was het echter gebruikelijk dat de goederen weer teruggingen naar de familie waar ze vandaan waren gekomen.\ud \ud In Edam werden in de onderzochte documenten in totaal achttien huwelijkscontracten teruggevonden. In 1574-75 werd er één opgemaakt, in 1625-6 vijf, in 1650 vijf en in 1675 zeven. Het lijkt erop dat steeds meer mensen het nodig vonden om hun huwelijkse voorwaarden op te stellen. In vijftien contracten werd bepaald dat er geen gemeenschap van goederen plaats zou vinden. Dit duit op een sterke positie van de vrouw. De vrouw kon haar goederen zelf beheren: haar man had er niets over te zeggen. Het kan er echter ook op wijzen dat haar familie het van belang vond dat haar man geen zeggenschap kreeg over haar (hun) goederen. De goederen moesten binnen de familie blijven, zodat het familiekapitaal niet inkromp. Echter, het feit dat er geen gemeenschap van goederen was, wil niet zeggen dat de echtlieden elkaar niets nalieten na hun dood. In de jaren 1625-26 en 1675 werd in zes documenten vastgelegd wat de langstlevende partij zou erven. Dit ging voornamelijk om geldbedragen, slechts éénmaal werd vastgelegd dat de langstlevende het beheer kreeg over alle goederen.\ud \ud Doordat regelmatig bepaald werd dat er geen gemeenschap van goederen zou plaatsvinden, vonden de echtparen het misschien nodig om in een ander document, namelijk het testament, vast te leggen wat er na de dood van een van hen met de spullen moest gebeuren. Het is zeer aannemelijk dat dit op een behoorlijke zelfstandigheid van de vrouw duidde. Immers, tijdens het huwelijk was er geen sprake van gemeenschap van goederen en had ze dus zelf het beheer over haar eigen goederen. In de testamenten die door echtparen gemaakt werden, werd voornamelijk vastgelegd dat de langstlevende het beheer kreeg over de goederen. Dit duidde op het vertrouwen van een gedeelte van de Edamse mannen in de capaciteiten van hun vrouw. \ud Een gedeelte, want zoals al vaker naar voren is gekomen in dit onderzoek, maakten de meeste mensen geen testament op. Enerzijds kan dit inhouden dat door de meeste mensen het gewoonterecht gehanteerd werd en dat na de dood van één van de echtelieden de goederen óf teruggingen naar de familie óf dat als er sprake was van kinderen deze de goederen erfden. Anderzijds is het echter ook mogelijk dat er door echtparen mondelinge afspraken werden gemaakt. Dat het voor hen zo vanzelfsprekend was dat de langstlevende in de gemene boel zou blijven zitten, dat ze de moeite niet namen om dit vast te leggen in een testament. Het kan ook zo zijn dat ze er geen geld voor hadden of dat de dood onverwacht kwam en dat de mensen er in het geheel nog niet aan gedacht hadden testament op te maken. Het is moeilijk om op basis van de onderzochte documenten een algemeen beeld te vormen van de gewoonte met betrekking tot testeren en het opstellen van huwelijkse voorwaarden in Edam.\ud \ud Wat wél kan op basis van dit onderzoek, is stellen dat het erop lijkt dat er een groep vrouwen in Edam was, waarbij in het geheel geen sprake was van een ondergeschikte positie. Hoewel de onderzochte testamenten erop lijken te wijzen dat deze positie in de loop van de zeventiende eeuw veranderde, lijken de opgestelde huwelijkscontracten dit tegen te spreken. Het werd vaker vastgelegd dat vrouwen het beheer over hun eigen goederen kregen. \ud De sterke vrouw was dus zeker aanwezig in Edam. Zij was niet per definitie een weduwe of ongetrouwde vrouw, maar kon ook zeer zeker een getrouwde vrouw zijn

Topics: Letteren, Vroegmoderne tijd, vrouwen, bezit, handelingsbekwaamheid
Year: 2008
OAI identifier: oai:dspace.library.uu.nl:1874/32264
Download PDF:
Sorry, we are unable to provide the full text but you may find it at the following location(s):
  • http://dspace.library.uu.nl:80... (external link)
  • Suggested articles


    To submit an update or takedown request for this paper, please submit an Update/Correction/Removal Request.