Electronic Archiving System
Not a member yet
    312330 research outputs found

    Data from: Reproduction probabilities and size distributions of the smooth snake Coronella austriaca in the Netherlands and Norway

    No full text
    The goal of our study was to compare the morphology, survival and frequency of reproduction of Smooth snakes (Coronella austriaca) between The Netherlands and Norway. Individuals caught in the field were measured and identified using photographs. We here archive the raw measurements and individual encounter histories used in the analyses of Dalessi et al. (2021, Amphibia-Reptilia). Field observations were done in the Eindhoven area in The Netherlands (51°27′0″N, 5°28′0″E), and the Oslo area (59°54′41″N, 10°45′29″E) in Norway. In The Netherlands the study area consists of a number of remaining nature fragments of De Peel, a once large moorland area in the South-east of The Netherlands. Fragmentation is largely due to peat extraction and transformation of the former peat bog into farmland. De Peel is located across and along the border of the provinces Noord-Brabant and Limburg. Two large and a number of smaller geographical elements can be distinguished that still show most of the original natural conditions and features of a peat-bog moor. De Groote Peel (1500 ha; a national park) is one of these, the other is a combined area consisting of the Deurnsche Peel (1400 ha) and the adjacent Mariapeel (1400 ha). The vegetation in these sites is dominated by Purple moor-grass (Molinea caerulea). Other plants species that are mainly found are common heather (Calluna vulgaris), cross-leaved heath (Erica tetralix), small trees and different species of peat moss (Sphagnum spp.). In this study we included six locations within these two nature reserves: Groote Peel Yellow track, Groote Peel summer biotope, Groote Peel Noordoostpad, Mariapeel East, and in the Deurnsche Peel: Leegveld and Eikenlaan. In the South of Norway, Coronella austriaca is found mainly in a narrow area along the southwestern coastline. Typical habitat is more or less isolated open areas (surrounded by forest varying in density) with south-facing rocky slopes. Patches of small trees and shrubs are present in these areas and particularly crevices and parts where cracks filled with plant material, loose rocks and stones occur, are the spots where smooth snakes were found. Typical plant species are Scotch pine (Pinus silvestris), juniper (Juniperus communis) and birch (Betula verrucosa). Heather (Calluna vulgaris) is dominating the lower vegetation (Sørensen 2014). This study includes data from 8 different locations (mainly fjord-related habitats) south of Oslo (Sørensen 2014): Pollevannet, Skjelvik, Emmerstad, Bunnefjorden, Eineåsen, Digerud, Tofte and Bleikslitjern. In The Netherlands we searched for smooth snakes during their reproductive season (April/May to August/September) from 2011 until 2015. Visiting frequencies were higher from 2012 onwards (ranging from approximately 40 visits in 2011, 60 visits in 2012, 80 visits in 2013 to around 130 visits during 2014 and 150 visits during 2015, for at least once a week in all years), and were higher in Leegveld and Mariapeel East than in the other areas. Observations in Norway were collected with frequencies varying from 1 to 20 visits per year varying with weather conditions and available time. In The Netherlands, we constructed encounter histories for a total of 110 distinguished individual female snakes. A number of these individuals were observed during multiple years, adding up to a total of 157 observations, 142 of which involved pregnant females and 9 observations non-pregnant females. In 6 cases the pregnancy status was not established with certainty. Females were determined to be pregnant or non-pregnant visually (in many cases the unborn snakes can readily be observed) or by means of palpating in both Norway and The Netherlands (Reading 2004). A number of pregnant females was temporarily held in captivity to determine the number of offspring. Physical traits such as sex, total body length (summation of the snout-vent length and tail length; measured with measuring tape) were recorded. Body mass was determined by use of a scale-beam (Super Samson, 200 g max., increments 2 g). Temperature was recorded as well. Photographs of the heads of all snakes (from above) and first 5-15 cm of dorsal side of the body were taken in order to be able to distinguish individual snakes, based on coloration and markings present on the skin (Sauer, 1994). Each individual was marked with a small dot of green nail polish on the head and thereafter released at the exact same spot where it was captured. In Norway, measurements of participation in reproduction of female snakes were carried out during a varying number of consecutive years between 1982 and 2015. Generally, more observations were made per individual, but for fewer individuals than in The Netherlands. Exact locations of the found individuals were determined and measurements such as total body length, body mass and whether females were pregnant or not were taken using the same methods as in The Netherlands. Females were photographed in order to distinguish between individuals. Encounter histories were constructed for a total of 87 distinguished individual female snakes from Norway. A number of these snakes were observed during multiple years, adding up to a total of 184 observations, 148 of which were determined pregnant, and 29 observations were determined non-pregnant. In 7 cases pregnancy status was not established with certainty

    Proefsleuvenonderzoek Beethovenlaan, Doetinchem Inventariserend Veldonderzoek ┨ Proefsleuven (IVO-P) Beethovenlaan, Doetinchem

    No full text
    In opdracht van Sità Woondiensten heeft Lycens BV een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd in het plangebied Beethovenlaan, Doetinchem. In het plangebied aan de Beethovenlaan zal de bestaande bebouwing worden gesloopt en worden twee nieuwbouwflats gerealiseerd, waarvoor een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Ten behoeve van deze voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling zijn reeds diverse archeologische vooronderzoeken uitgevoerd. Daaruit is naar voren gekomen dat binnen onderhavig plangebied mogelijk een archeologische vindplaats aanwezig is. Hierop heeft de gemeente Doetinchem besloten dat een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek of een karterend proefsleuvenonderzoek plaats dient te vinden. In overleg met de opdrachtgever is besloten direct een karterend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. De vraagstelling van het onderzoek was gericht op het vaststellen of er sprake is van een behoudenswaardige archeologische vindplaats binnen het plangebied. Tijdens het veldonderzoek zijn 4 werkputten aangelegd, waarbij vlaksgewijs werd verdiept tot het archeologisch relevante niveau. Tijdens het proefsleuvenonderzoek bleek een groot deel van het plangebied te zijn verstoord door egalisatie, aanleg van kabels en leidingen en de bouw van de huidige flats. In de onverstoorde delen is een plaggendek op fluvioperiglaciale afzettingen waargenomen. In het oostelijke deel van het plangebied liggen deze fluvioperiglaciale afzettingen op dekzand en in het westelijke deel op een kleipakket van de Rijn. Er zijn drie sporen aangetroffen: twee kuilen en een greppel die dicht op elkaar liggen in een klein onverstoord deel van het plangebied. Datering van de kuilen is niet mogelijk aangezien geen vondstmateriaal is aangetroffen in de sporen. De greppel dateert zeer waarschijnlijk uit de nieuwe tijd, gebaseerd op historisch kaartmateriaal. De vindplaats scoort laag op alle delen van de waardering (beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit) en kan daarom als niet-behoudenswaardig worden aangemerkt. Lycens adviseert dan ook vrijgave van het plangebied voor de voorgenomen bodemingrepen. Met betrekking tot de aanbevelingen/bevindingen uit onderhavig onderzoek dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Doetinchem

    Heinkenszand Stenevate 6-8 Heinkenszand Stenevate 6-8. Gemeente Borsele. Opgraving - variant Archeologische Begeleiding

    No full text
    De opdrachtgever had het voornemen om een nieuwe supermarkt te realiseren binnen een onderzoeksgebied aan de Stenevate 6-8 (gemeente Borsele). Het plangebied is aan de zuidoostkant van de dorpskern gesitueerd en omvat de percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Borsele, Sectie AH, nummer 4766 en Sectie Z, nummer 940, 955 en 956. In totaal beslaat het plangebied een oppervlakte van circa 1,2 ha. Om de ontwikkeling mogelijk te maken werd in 2020 het bestemmingsplan Kern Heinkenszand, gedeelte 2e supermarkt Stenevate opgesteld. In het kader hiervan is een vooronderzoek uitgevoerd waaruit bleek dat binnen het plangebied een hoge verwachting bestond op archeologische waarden uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Dit heeft geleid tot een gedeeltelijke planologische bescherming. Mogelijk aanwezige archeologische resten worden binnen dit deel beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie en hier geldt dan ook een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die dieper reiken dan 0,75 m -mv. In het bestemmingsplan zijn geen vierkante meters gespecificeerd als vrijstellingsgrens. Om die reden heeft de Gemeente Borsele voorwaarden verbonden aan de verstrekte omgevingsvergunning en dienden de graafwerkzaamheden binnen die delen van het plangebied met dubbelbestemming waarde archeologie en waar dieper werd verstoord dan 0,75 m -mv uitgevoerd te worden onder archeologische begeleiding. Deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden ná het selectiebesluit. Op grond van de waarderingscriteria vinden de werkzaamheden plaats op een al gewaardeerd terrein waarbij sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Doel is dan ‘het documenteren van gegevens en het veiligstellen van vondsten en monsters om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden’. Deze informatie is vervat in projectdocumentatie en in vondsten en monsters. Het specifieke doel voor het huidige onderzoek betrof het documenteren van alle aangetroffen vindplaatsen binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. De begeleiding leert dat aan de basis van het bodemprofiel zich zwak siltige zandafzettingen van het Laagpakket van Walcheren bevinden. Naar boven toe gaan deze afzettingen over in matig siltige kleiafzettingen. Binnen het onderzoeksgebied is de top van het Laagpakket van Walcheren vastgesteld vanaf 0,40 m +NAP. Daar het maaiveldniveau nogal fluctueerde binnen het terrein (tussen 0,95 en 1,20 m +NAP), is dit niveau aangetroffen tussen circa 0,55 en 0,80 m -mv. In het zuidelijke deel bleek de top van het Laagpakket van Walcheren doorwerkt te zijn en is deze laag geïnterpreteerd als het maaiveldniveau uit de late middeleeuwen van waaruit enkele sporen ingesneden waren. Zowel de natuurlijke afzettingen alsook het oude maaiveldniveau zijn vanaf 0,40 m +NAP afgedekt door verschillende antropogene cultuur-, stort- en/of ophooglagen uit de nieuwe tijd. Aan de bovenzijde van het bodemprofiel bevindt zich in het grootste deel van het onderzoeksgebied een recenter opgebracht pakket en/of een circa 0,40 a 0,50 m dik pakket bouwzand. Tijdens de archeologische begeleiding zijn in het noordelijke deel van het onderzoeksgebied bewoningssporen aangetroffen uit de nieuwe tijd in de vorm van funderingsresten. Deze resten worden afgedekt door een puinlaag die op basis van het materiaal gedateerd kan worden in de periode 1800-1850. Vermoedelijk zijn deze resten afgebroken aan het begin van de 19e eeuw, aangezien ze niet meer getoond worden op de Kadastrale Minuutkaart uit omstreeks 1830. Verder is aan de noordzijde van het onderzoeksgebied een perceelsgreppel aangetroffen uit de nieuwe tijd en enkele kuilen met een datering in de late middeleeuwen tot nieuwe tijd. De perceelsgreppel vormde vermoedelijk de zuidwestelijke begrenzing van het perceel waarop de hierboven genoemde funderingsresten zijn aangetroffen. Aan de zuidzijde van het terrein is een sloot aangetroffen met daarin laatmiddeleeuws vondstmateriaal (met een complexdatering van 1375-1425). Tevens zijn hier twee ronde kuilen gedocumenteerd die op basis van het materiaal en stratigrafie in de 16e/17e eeuw gedateerd kunnen worden. Centraal aan de westzijde van het onderzoeksgebied zijn de ontgravingen beperkt gebleven en is er niet dieper ontgraven dan het niveau van de jongere nieuwetijdse ophooglaag

    Zierikzee Grevelingenstraat Zierikzee Grevelingenstraat. Gemeente Schouwen-Duiveland. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen

    No full text
    De initiatiefnemer heeft het voornemen om in een plangebied ten noorden van de Grevelingenstraat te Zierikzee (gemeente Schouwen-Duiveland) een tijdelijke noodopvang te realiseren. In het kader van de hiertoe benodigde Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA)-omgevingsvergunning heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan het volgende gesteld worden: - Nagenoeg overal is het Laagpakket van Wormer intact aanwezig; plaatselijk in het westen van het plangebied ligt dit relatief hoog. Hier geldt een middelhoge verwachting voor het Neolithicum. Daar waar de top relatief laag ligt, geldt een lage verwachting voor deze periode; - In delen van het plangebied is het Hollandveen Laagpakket intact, of nagenoeg intact aanwezig. Hier geldt een hoge verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd. In andere delen heeft veenwinning en erosie plaatsgevonden en geldt een lage verwachting voor deze perioden; - Daar waar het veen intact is, zijn hierboven doorgaans poelafzettingen van het Laagpakket van Walcheren aanwezig. Plaatselijk worden deze poelafzettingen alsook de veenwinningskuilen afgedekt door jongere plaatafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze zandige plaatafzettingen lijken op enig moment deels te zijn ontgraven, waarna de gaten zijn opgevuld met kleiige grond met hierin archeologische indicatoren. - Er zijn geen aanwijzingen gezien voor vindplaatsen. - Voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd wordt de verwachting laag geacht

    Bochtafsnijding Delftse Schie – vindplaats 1, gemeente Schiedam, een archeologische Bochtafsnijding Delftse Schie – vindplaats 1, gemeente Schiedam, een archeologische opgraving

    No full text
    In opdracht van de provincie Zuid-Holland heeft RAAP van 7 mei tot en met 19 juni 2018 een archeologische opgraving uitgevoerd in het kader van het project ‘Bochtafsnijding Delftse Schie’ in de gemeente Schiedam. Dit onderzoek is het aanvullende onderzoek op de locatie die bekend staat als ‘vindplaats 1’. In 2014 is het noordelijk deel van deze vindplaats opgegraven door het ADC. Het voornaamste doel van het onderzoek was het veiligstellen van de wetenschappelijke informatie (behoud ex situ). Landschap De Schie was van oorsprong een getijdenkreek, die nog tot de 12e eeuw onder invloed stond van de Rijn-Maasdelta. In de 11e-12e eeuw werd voor het eerst een dijk aangelegd. Ter plaatse van het plangebied was dat in een veenmoeras. Uit het onderzoek is gebleken dat de bodem in het plangebied in basis bestaat uit mineraalarm rietveen. Naar boven toe gaat dit pakket over in amorf rietveen. De top van het natuurlijke veenpakket bevindt zich in het zuiden op 3,3 m –NAP en duikt naar het noorden tot 4,4 m –NAP. Door de aanwezigheid van de dijk is het veen ter plaatse flink ingeklonken. Afzettingen van de Schie zijn binnen het onderhavige onderzoeksgebied niet aangetroffen. Archeologie De voornaamste doelstelling van het onderzoek was de opbouw en datering van de Oude Dijk in kaart brengen. Uit het aanvullende onderzoek op vindplaats 1 is gebleken dat de dijk is aangelegd in de 12e eeuw. In de opgravingsput was goed zichtbaar hoe bijna het hele dijklichaam, dat ongeveer 1,5 m hoog is geweest, door zijn eigen gewicht in het veen is weggezakt. Naast enkele scherven 12e-13e-eeuws aardewerk is een zilveren munt uit 1213-1222 gevonden. De dijk is vervolgens in de 16e eeuw opgehoogd (circa 80 cm), in de 17e eeuw (circa 100 cm) en in de 18e eeuw (circa 60 cm). Enkele vondsten uit 16e eeuw zijn in verband te brengen met de verstening van boerderij ‘s -Gravenhuize in deze periode: twee miniatuur kruikjes, roodbakkend geglazuurd aardewerk, steengoed, faience en enkele fragmenten bouwmateriaal. Vormen omvatten vooral keuken- en tafelgerei zoals verschillende kannen, schotels, bakpannen, grapen, een randfragment van een ongeglazuurde vuurklok, een grote kom en twee fragmenten van vetvangers. De 17e-eeuwse dijkfase is te relateren aan de herbouw van boerderij ’s-Gravenhuize. Beschoeiingen en een kleine inham aan de westzijde werden gemaakt. De ongeveer 80 cm hoge beschoeiingen werden vooral gemaakt van hergebruikt hout. Bij de inham bestaat een deel van de beschoeiing uit een vlechtwerk van wilgentakken. De ruimte achter de beschoeiing is met klei en afval opgevuld. Op de pas-verhoogde dijk werd een gebouw van ongeveer 5,8 m lang en 4,2 m breed gebouwd, met een ingang aan de oostzijde en een raam in de noordzijde. Van dit glas-in-loodraam zijn veel scherven en enkele hele ruitjes teruggevonden. Het gebouw lijkt pal aan het water te hebben gestaan en was aan de Schie-zijde vrij stevig en diep gefundeerd. Dit bijgebouw of schuur is op geen enkele historische kaart terug te vinden. Vondsten uit deze periode zijn onder andere drie leren schoenzolen, waarvan één van een kind, een sleutel, een lepelbak, een munt , een textiellood uit Noord-Frankrijk, een lodenstrip van de glas-in-loodramen, een hooivorkonderdeel, een ijzeren spade, een loden snorrebot en een vingerhoed. Op de 18e-eeuwse dijk lag een schelpenpad, mogelijk onderdeel van een jaagpad. Vondsten uit de de 18e eeuw zijn vooral in en rondom het gebouw aan de Schie aangetroffen. Het gaat om scherven van melkteilen, tabakspijpen, wandtegels, een pispot, theepotten, borden, kopjes, grote kommen, een schotel, een komfoor, een kandelaar en een vaas. Vier diergraven met daarin vijf redelijk complete runderen zijn mogelijk in verband te brengen met een 18e-eeuwse veepestepidemie

    Zierikzee Riolering Binnenstad Zierikzee Riolering Binnenstad. Gemeente Schouwen-Duiveland. Archeologisch Bureauonderzoek

    No full text
    Het voornemen is om de riolering in de binnenstad van Zierikzee te vernieuwen. De planvorming beslaat 22 tracédelen, verspreid over de binnenstad (= het plangebied). In een aantal hiervan zal bestaande riolering worden vervangen middels het graven van een sleuf (namelijk ter plaatse van de Slabberswerf, Zevenhuisstraat, Meelstraat, Zevengetijstraat, D’Aillystraat, Steiltjesstraat, Korte Nobelstraat, Raveslootstraat, Hem, Rodedorp en Vrije). In een ander aantal hiervan zullen bestaande zijtakken van de riolering mogelijk worden verwijderd (dit betreft zijtakken van de straten Zuidwellestraat, Karnemelksvaart, Gat van West Noord Westen, Nieuwe Bogerdstraat, Paternosterstraat, Hoge Molenstraat, Marisstraat en Gravenstraat). In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor een Binnenplanse OmgevingsPlanActiviteit (OPA) heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek naar het plangebied uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een algemeen verwachtingsmodel voor het hele plangebied en 22 gespecificeerde verwachtingsmodellen voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd per tracédeel. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan in het algemeen gesteld worden dat in het hele plangebied: - een middelhoge verwachting geldt op resten uit het Neolithicum op/in het intacte Laagpakket van Wormer, op diepten vanaf 1,95 m -NAP; - wordt uitgegaan van een lage verwachting op resten uit de periode Bronstijd t/m Romeinse tijd op/in het Hollandveen Laagpakket, o.a. vanwege de historische en archeologische blijken van grootschalige veenwinning gedurende de Middeleeuwen; - een hoge verwachting geldt op resten uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd, waaronder resten van veenwinning op diepten vanaf 1,39 m -NAP, resten van ophogingen, bewoning en ambachtelijke activiteiten uit de ontstaansfase van Zierikzee (in de loop van de Vroege en bij aanvang van de Late Middeleeuwen; onbekende diepten) en op veel plaatsen resten van o.a. bewoning, wegen, zogenoemde stadsvronen (oude afwateringskanalen), kloosters, kerkhoven en een kasteel uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Het hele plangebied betreft een AMK-terrein van hoge archeologische waarde, namelijk de binnenstad van Zierikzee, daterend uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd

    Goes Courtinestraat 9 Goes Courtinestraat 9. Gemeente Goes. Inventariserend Veldonderzoek door middel van karterende boringen

    No full text
    De Gemeente Goes heeft het voornemen om binnen het 9.900 vierkante meter grote plangebied aan de Courtinestraat 9 te Goes een nieuwe school, een huisartsenpost en woningen te realiseren. In het kader van de noodzakelijke BOPA omgevingsvergunning werd voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Direct ten oosten en ten westen van het plangebied is reeds (voor- en vervolg)onderzoek uitgevoerd. Uit dat onderzoek blijkt dat binnen het plangebied een (klein deel van een) bastion met omringende gracht van de Oostschans en een middeleeuws dijklichaam aanwezig kunnen zijn. Om die reden heeft de adviseur van de bevoegde overheid bepaald dat binnen het plangebied een karterend booronderzoek moest plaatsvinden. Daartoe werden twee boorraaien met elk 6 boringen uitgevoerd. De natuurlijke jonge getijdenafzettingen van het Laagpakket van Walcheren werden aangetroffen tussen 0,29 m-NAP en 0,38 m+NAP. In boorraai 1 werden ophooglagen aangetroffen die geïnterpreteerd worden als (de zool van) de westelijke dijk van de Kloetinge polder die eind 12de of begin 13de eeuw werd aangelegd. De basis van de dijkzool ligt rechtstreeks op de natuurlijke jonge getijdenafzettingen en ligt tussen 0,29 m- en 0,20 m+NAP. De bewaarde top ligt op maximaal 1,82 m+NAP maar de bovenste 3 tot 4 meter van het dijkprofiel is afgegraven in de jaren ’60 bij het realiseren van de Ketelhaven en het inrichten van het bedrijventerrein. In boorraai 2 werd vermoedelijk het onderste resterende deel van de afgegraven en genivelleerde wal (flank of face) van het noordwestelijke bastion van de Oostschans aangeboord. In de meer oostelijke boringen werd geen gracht(vulling) aangetoond maar deze lijken eerder de geleidelijke overgang (de escarp) te vormen naar de gracht waarvan het diepe (watervoerende) deel meer aan de oostelijke grens van het plangebied is gesitueerd. De natuurlijke afzettingen (en de hielzijde van de dijk en de basis van de flank van het bastion) zijn afgedekt door een kenmerkende donkergekleurde humeuze laag die als oud maaiveld (van voor de (historisch bekende) ophoging uit de jaren ’60) werd gedefinieerd. Dit vooroorlogse maaiveld is afgedekt door een (tot maximaal 175 cm dik) ophoogpakket dat is opgeworpen bij het graven van de Houthaven en de Ketelhaven in de jaren ’60 van de 20ste eeuw. Daarbij is het hele haventerrein ingericht en opgehoogd met de vrijgekomen grond

    Windpark Ze-Bra fase 2 Windpark Ze-Bra fase 2. Gemeente Reimerswaal - Gemeente Woensdrecht. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

    No full text
    Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed heeft een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied gelegen in het zuidoosten van de gemeente Reimerswaal (Zeeland) en het zuidwesten van de gemeente Woensdrecht (Noord-Brabant). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen om binnen het plangebied fase 2 van het Windpark Zebra te realiseren. Hierbij worden binnen het plangebied verschillende kabels en civiele infra aangelegd. Het plangebied omvat de trajecten van de kabels en civiel infra en heeft een oppervlakte van 54,35 hectare. Het omvat verschillende percelen in de kadastrale gemeente Reimerswaal, Sectie N en Ossendrecht Sectie G. Volgens hoofdstuk 22.2 van het Omgevingsplan Gemeente Reimerswaal (het meest oostelijke deel valt in het Omgevingsplan Gemeente Woensdrecht) is het verboden om deze activiteiten uit te voeren zonder omgevingsvergunning. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor een BuitenplanseOmgevingsPlanActiviteit (BOPA) dient een rapport te worden voorgelegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport is volgens artikel 22.22 niet noodzakelijk indien de oppervlakte niet groter is dan 100 m² of indien hiervoor afwijkende regels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en deze niet worden overschreden. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt volgens het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2022 (2023) een dubbelbestemming waarde archeologie 2 of 3. Binnen deze gebieden geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 250 of 500 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Het uiterst oostelijke deel is van het projectgebied is gesitueerd in het bestemmingsplan Actualisatie Bestemmingsplan Buitengebied (2019) van de gemeente Woensdrecht. Met de partiële herziening van dit plan in 2019 (Bestemmingsplan Buitengebied, partiële herziening 2019) geldt in dit gebied een dubbelbestemming waarde archeologie 3, waarmee een verbod op werkzaamheden groter dan 100 vierkante meter én 0,50 meter beneden maaiveld geldt. Met de nieuwe ontwikkeling zullen de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Daarom dient in het kader van de BOPA-omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. Delen van het gebied zijn eerder in 2021 reeds onderzocht, deze locaties zijn niet opnieuw onderzocht. In de overige delen van het plangebied is in overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid besloten om het aantal boringen binnen het gebied te beperken. Daarenboven dienen de boringen slechts doorgezet te worden tot een diepte van 2 m -mv (maximale verstoringsdiepte). Het uitgevoerde veldonderzoek heeft uitgewezen dat er in het plangebied zich binnen de onderzochte 2 m -mv kwelderafzettingen van het Laagpakket van Walcheren bevinden. Deze gaan onderin over op wadafzettingen. Oudere niveaus en lagen zijn binnen 2 m -mv niet aangetroffen

    Wassenaar, Hofcampweg-Burmanlaan Eindrapport

    No full text
    IDDS Archeologie heeft in januari 2024 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd aan de Hofcampweg en Burmanlaan in Wassenaar, gemeente Wassenaar. De doel- en vraagstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Met het inventariserend veldonderzoek wordt deze verwachting getoetst en zo nodig aangevuld. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het overgrote deel van het plangebied is gelegen in de strandvlakte. Waarschijnlijk is er sprake van strandvlaktezand met daarop een veenpakket. Op het veen kunnen overstromingsklei en ingeblazen duinzand aanwezig zijn. Eventuele duinen waren de enige delen van de strandvlakte die relatief hooggelegen en daardoor bewoonbaar waren. In het plangebied geldt daarom een lage archeologische verwachting voor de strandvlakte, maar een hoge archeologische verwachting indien in de strandvlakte sprake is van duinafzettingen. Tijdens het veldonderzoek zijn voor dergelijke duinafzettingen in de strandvlakte geen aanwijzingen gezien. De lage archeologische verwachtingen voor de delen van het plangebied die in de strandvlakte gelegen zijn, kan daarom worden gehandhaafd. Het oostelijke deel van de Hofcampweg, gezien vanaf de kruising met de Burmanlaan, ligt op een strandwal waarop duinen gevormd zijn. Dit zijn hogere delen in het landschap welke geschikt waren voor bewoning. Dit deel van het plangebied krijgt daarom een hoge archeologische verwachting. Tijdens het veldonderzoek is gebleken dat in dit deel van het plangebied, ter hoogte van de boringen 2 tot en met 4, inderdaad intacte strandwal en/of Oude Duinafzettingen met tekenen van bodemvorming aanwezig zijn. Vandaar dat de hoge archeologische verwachting voor dit niveau op deze locatie kunnen worden gehandhaafd. Voor de lagere flank, bij boringen 1, 8, 9, 12, 13, 14, 16, 20, 22 waar het zand rond de -1,5 m NAP ligt, geldt een lage tot middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten op basis van de waarschijnlijk te natte omstandigheden voor bewoning. Mogelijk kunnen hier wel off-site resten van deposities, afvaldumps en bijvoorbeeld veenpaden verwacht worden. Archeologische resten in het plangebied kunnen dateren vanaf de vorming van de strandwal na de periode 2750 – 2525 voor Chr. Te verwachten complextypes zijn huisplaatsen, nederzettingen, begravingen en akkerbouw. Er kunnen sporen worden verwacht zoals paalsporen, kuilen en greppels en vondsten zoals aardewerk. De archeologische resten worden verwacht in de top van het strandwalzand of het duinzand, indien aanwezig Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het deel van het plangebied ter hoogte van het oostelijke deel van de Hofcampweg (Figuur 12) een niveau met een hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf het Late Neolithicum tot de Nieuwe Tijd aanwezig is vanaf 0,5 m -mv. Aangezien de geplande bodemingrepen zullen reiken tot minimaal 2 m -mv adviseert IDDS Archeologie op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Gezien de locatie van dit deel van het plangebied middenin een woonwijk en met al een groot aantal kabels en leidingenaanwezig, is het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek waarschijnlijk niet haalbaar. Vandaar dat wordt aangeraden een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding van de geplande werkzaamheden uit te voeren, volgens het protocol Opgraven. Op deze manier kunnen ook vondstarme vindplaatsen en sporen van kleine vindplaatsen uit de verwachte periode in kaart worden gebracht. In het overige deel van het plangebied dat in de strandvlakte gelegen was, zijn geen niveaus aanwezig waarvoor een hoge archeologische verwacht van kracht is. Daarom adviseert IDDS Archeologie om de rest van het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamhede

    Sint Annaland Havendijk Sint Annaland Havendijk. Gemeente Tholen. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

    No full text
    Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed heeft een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied gelegen in de Suzannapolder in Sint Annaland (gemeente Tholen). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om een nieuw woningbouwproject te realiseren. Hierbij worden 75 wooneenheden gerealiseerd in een groene en waterrijke omgeving. Het project wordt gerealiseerd ter plaatse van twee agrarische percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Sint Annaland, Sectie F, Perceel 1189‐697. Het plangebied beslaat een oppervlakte van circa 53.500 vierkante meter. Volgens hoofdstuk 22.2 van het Omgevingsplan Gemeente Tholen is het verboden om deze activiteiten uit te voeren zonder omgevingsvergunning. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor een BuitenplanseOmgevingsPlanActiviteit (BOPA) dient een rapport te worden voorgelegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport is volgens artikel 22.22 niet noodzakelijk indien de oppervlakte niet groter is dan 100 m² of indien hiervoor afwijkende regels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en deze niet worden overschreden. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt volgens het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Tholen (2013) een dubbelbestemming waarde archeologie 3 of 4. Binnen deze gebieden geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 500 of 2.500 vierkante meter en dieper reiken dan 0,40 meter beneden maaiveld. Met de nieuwe ontwikkeling zullen de vrijstellingsgrenzen worden overschreden. Daarom dient in het kader van de BOPA omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van beide onderzoeken kan gesteld worden dat: - Zich in het plangebied wadafzettingen bevinden van het Laagpakket van Walcheren. Deze gaan plaatselijk bovenin over op schor- en plaatafzettingen. In, en op, deze afzettingen van het Laagpakket van Walcheren geldt een lage verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Dit uitgezonderd een smalle strook in het oosten van het plangebied, waar een hoge verwachting geldt voor resten van een weg (tussen de 17e eeuw en 1960 in gebruik). Deze resten worden echter niet behoudenswaardig geacht. - Het Hollandveen (aangetroffen op een diepte tussen 2,35 en 4,25 m -mv/ 1,66 en 3,61 m -NAP) binnen het volledige plangebied deels tot volledig geërodeerd is. Voor dit niveau geldt slechts een lage verwachting voor resten uit de Bronstijd tot Midden-IJzertijd (waar veen niet volledig weg geërodeerd is). - Het Laagpakket van Wormer aangetroffen is op een diepte tussen 3,5 en 4,3 m -mv/ 3,04 en 3,71 m -NAP. Het betreft hoofdzakelijk kleiige wadafzettingen. Voor dit niveau geldt een lage verwachting voor resten uit het Neolithicum. Bij boringen 1, 6 en 7, langs de oostelijke rand van het plangebied, is de top van het Laagpakket van Wormer wat hoger gelegen (tussen 2,95 en 3,05 m -mv/ 2,23 en 2,62 m -NAP). Hier bestaat het pakket uit zandige afzettingen. Bij boringen 1 en 4 is er sprake van wat bodemvorming in de top van het Laagpakket van Wormer. Bij boring 4 betreft dit echter een zeer dun laagje in de top van de kleiige afzettingen. Bij boring 1 is het pakket relatief hoog gelegen en vormt het de top van een zandig pakket. Hier zijn de omstandigheden voor mogelijke bewoning gunstiger. Echter, in deze boring is het bovenliggende Hollandveen volledig weg geërodeerd en is de top van het Laagpakket van Wormer vermoedelijk eveneens aangetast. Bijgevolg wordt ook ter plaatse van boringen 1, 4, 6 en 7 de archeologische verwachting bijgesteld naar een lage verwachting

    1

    full texts

    312,330

    metadata records
    Updated in last 30 days.
    Electronic Archiving System is based in Netherlands
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Open Research Online? Become a CORE Member to access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! 👇