Web-based Archive of RIVM Publications

    Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2014

    Get PDF
    Nieuwe concentratie- en depositiekaarten voor NSL en PAS Het RIVM heeft kaarten opgesteld waarop staat aangegeven wat in 2013 in Nederland de concentraties in de lucht waren van onder andere stikstofdioxide en fijn stof. Ook is op een kaart aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. Daarnaast zijn toekomstberekeningen voor deze stoffen gemaakt voor de periode 2015- 2030. De kaarten worden gebruikt voor de monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee worden onder andere de effecten van ruimtelijke plannen getoetst Stikstofdioxideconcentraties voor 2015 veelal lager De gemeten concentraties stikstofdioxide waren in 2013 lager dan in 2012. De concentraties die voor 2015 zijn berekend, zijn op de meeste locaties lager dan vorig jaar was geraamd. Toch blijven er een aantal probleemgebieden bestaan waarin de verwachte concentraties hoger zijn dan vorig jaar geraamd, vooral in de regio's Rotterdam en Den Haag. Wat de verwachte overschrijdingen van de normen in 2015 betreft, zal dat in Amsterdam en Utrecht op minder locaties aan de orde zijn dan eerder was ingeschat, en in Rotterdam op meer locaties Drie oorzaken voor deze aangepaste verwachting zijn het belangrijkst. Als eerste is bij de ramingen een correctie aangebracht voor systematische verschillen tussen gemeten en berekende stikstofdioxideconcentraties. Ten tweede stoten de nieuwste modellen vrachtauto's minder stikstofoxiden uit dan eerder was ingeschat. Ten derde zijn effecten meegenomen van het SER-energieakkoord uit 2013. Hierin zijn afspraken gemaakt om energie te besparen bij huishoudens, industrie en landbouw en het aandeel alternatieve energiebronnen als wind- en zonne-energie te vergroten Roetconcentraties dalen naar verwachting verder Steeds meer dieselauto's hebben een filter, waarmee roet effectief wordt afgevangen. Op basis van het huidige beleid wordt geschat dat de roetconcentratie de komende jaren verder daalt, en in 2020 bijna zal zijn gehalveerd ten opzicht van het huidige niveau Daling stikstofdepositie onveranderd De neerslag van stikstof op de bodem in Nederland daalt naar verwachting de komende jaren in ongeveer dezelfde mate als vorig jaar was geraamd. Een dalende stikstofdepositie is een voorwaarde voor natuurbehoudNew maps of concentrations and depositions for NSL and PAS In this report, the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) presents the latest maps of air concentrations in the Netherlands for several substances, including nitrogen dioxide and particulate matter for 2013. It also presents the maps for the deposition of nitrogen compounds to the soil for that year. Calculations for the future (2015-2030) have also been made. The maps are being used in the national air quality collaboration programme (NSL) and for the programmatic approach to nitrogen (PAS) for monitoring new spatial planning projects Nitrogen dioxide concentrations mostly lower for 2015 The measured concentrations of nitrogen dioxide were in 2013 lower than in 2012. Concentrations calculated for 2015 are at most locations below last year's estimates. Yet, there remain a number of areas where the expected concentrations are higher than last year's estimates, especially in the vicinity of Rotterdam and The Hague. The limit value for the nitrogen dioxide concentration will probably be exceeded in fewer locations in Amsterdam and Utrecht than was estimated earlier and in more locations in Rotterdam in 2015 There are three main reasons for these adjusted expectations of future concentrations. First, a correction is applied to projections of nitrogen dioxide concentrations for systematic differences between measured and calculated concentrations. Second, the latest truck models emit less nitrogen oxides than was previously expected. Third, the effects of the SER energy agreement from 2013 have been taken into account. Arrangements have been made in the agreement to save energy in households, industry and agriculture, and to increase the share of alternative energy sources, such as, wind and solar energy Soot concentrations are expected to decrease further More and more diesel cars have a filter, which is effective in capturing soot. It is expected that, based on the current policies, the soot concentrations will continue to decrease in the coming years and will be reduced by almost 50 percent by 2020 compared to current levels Decrease in nitrogen deposition unchanged The deposition of nitrogen to the soil in the Netherlands is expected to decrease in the coming years by approximately the same amount as was estimated last year. A reduction in nitrogen deposition is a prerequisite for nature conservationMinisterie van I&

    Comparing the BAMA indoor air and ConsExpo inhalation models

    Get PDF
    Voor chemische stoffen die onder REACh gereguleerd worden en die bedoeld zijn om in consumentenproducten gebruikt te worden, vereist REACh een z.g. 'Chemical Safety Assessment (CSA)'. In een dergelijke CSA moet gedemonstreerd worden dat het gebruik van de stof in een consumentenproduct veilig is. Bij gebrek aan blootstellingsgegevens kan bij het maken van een CSA gebruik gemaakt worden van blootstellingmodellering. Er bestaan verschillende modellen voor de schatting van de blootstelling van consumenten aan chemische stoffen. Voor stoffen uit consumentenproducten in spuitbussen m.n. zijn er twee modellen die waarschijnlijk veelvudig gebruikt zullen worden bij de ontwikkeling van CSAs. Dit zijn het 'Indoor Air' model van de 'British Aerosol Manufacturers Association (BAMA)' en het spuitbus model uit het ConsExpo programma dat is ontwikkeld door het RIVM. Voor een beoordeling van de kwaliteit van een CSA, zoals die door de industrie worden gemaakt, is het belangrijk goed inzicht te krijgen in de verschillen en overeenkomsten tussen verschillende methodes en modellen die in de praktijk gebruikt kunnen worden. In dit rapport worden de BAMA en het ConsExpo programma met elkaar vergeleken, In het rapport worden de aannames en modelstructuur van beide modellen beschreven. De verschillen tussen beide modellen worden aan de hand van simulaties geïllustreerd. Het BAMA model is op meer versimpelende aannames gebaseerd dan het ConsExpo spuitmodel. Deze vereenvoudigingen zijn met name van belang als het model gebruikt wordt voor het schatten van de blootstelling aan niet-vluchtige stoffen in spuitbussen die vrijkomen als aerosoldeeltjes. Voor dit type stoffen geeft het BAMA model hogere schattingen dan het ConsExpo spuitmodel. Het is de verwachting dat de BAMA schattingen in de meeste van deze gevallen onrealistisch hoog zijn. Het model is slechts geschikt voor een ruwe schatting van de mogelijke blootstelling aan deze stoffen. Een andere beperking van het BAMA model is de aanname dat het gespoten materiaal onmiddellijk vrijkomt. Deze aanname beperkt de toepasbaarheid van het BAMA model bij het schatten van kortdurige (acute) blootstellingen. Het is aan te nemen dat het BAMA model alleen geschikt is voor het schatten van langer durende blootstellingen.For chemical substances regulated under REACh, that are intended to be used in consumer products, REACh regulation requires that safe use of chemicals in these products is demonstrated. Such Chemical Safety Assessments (CSAs) require an evaluation of the consumer exposure to the chemical substances in the product. Due of the lack of data on exposure, this evaluation is often done by modelling. Various tools to estimate human exposure from consumer products exist. Specifically, for substances contained in consumer spray products, two modelling tools are expected to be frequently used in the development of Chemical Safety Reports: the BAMA Indoor Air model and ConsExpo. The first tool is developed by the British Aerosol Manufacturers Association (BAMA), ConsExpo is developed at RIVM. For the evaluation of Chemical Safety Reports provided by industry, insight in the differences and similarities of alternative tools and methods is required. In this report a comparison between BAMA indoor air model and ConsExpo has been made. The assumptions and structure of both models are described. In simulations the differences in models are illustrated. The BAMA model is build on simpler assumptions than the ConsExpo spray model. The simplifications in the BAMA model are especially important in cases where the model is used to estimate exposure to low-volatile substances in sprays that are released as aerosol droplets. In these applications the BAMA model will give higher estimates than the ConsExpo model. The BAMA model predictions are expected to be unrealistically high in most of these cases. The model is only suited for screening of potential exposure for these substances. A second limitation in the BAMA model is the assumption of instantaneous release of material. This assumption limits the applicability of the model to evaluation of short term (acute) exposures. The BAMA model is expected to be only suited for estimating longer term exposures.VW

    Achtergrondinformatie over HDI: gebruik, voorkomen in het leefmilieu en gedrag in het lichaam

    Get PDF
    Dit rapport maakt onderdeel uit van een serie van acht rapporten over het onderzoek naar HDI uit CARC op de POMS-locaties van Defensie. Dit rapport bevat geen afzonderlijke publiekssamenvatting. Een overkoepelende publiekssamenvatting van de acht rapporten is te vinden op de website van het RIVM: "CARC op de POMS-locaties van Defensie: blootstelling en gezondheidsrisico's. Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, met speciale aandacht voor het bestanddeel HDI" RIVM rapport 2020-0017.Ministerie van Defensi

    Het Atmosfeer-Oceaan Modelsysteem van het IMAGE-model. Achtergrondrapport van het mondiale modelsysteem voor bepaling van concentraties, klimaatverandering en zeespiegelstijging

    Get PDF
    In this report, we describe the technical background of the Atmosphere Ocean System (AOS) of the Integrated Model to Assess the Global Environment (IMAGE, version 2.2). The AOS submodel elaborates the global concentrations of the most important greenhouse gases and ozone precursors, along with their direct and indirect effects on global-mean radiative forcing. These submodels are based on state-of-the-art approximations, as published by the Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) in its Third Assessment Report (TAR). That these simple submodels can adequately reproduce the global concentrations and forcings of more complex models in a very short runtime is also true for the simple climate submodel for calculating the consequences for the climate system and sea-level rise described in this report. We also elaborate on the scientific background and the most important features of the different submodels, comparing the results with other models and observations. Furthermore, we demonstrate that AOS adequately represents the 1970-1995 period for the main global indicators (concentrations, temperature increase and sea-level rise).Dit rapport beschrijft de technische achtergrond van het atmosfeer-oceaan systeem van het IMAGE-model (Integrated Model to Assess the Global Environment). Het atmosfeer-oceaan systeem van IMAGE modelleert de atmosferische concentraties van de meest belangrijke broeikasgassen en de directe en indirecte effecten van die gassen op de stralingsbalans. Deze submodellen zijn gebaseerd op state-of-the-art benaderingen van meer complexe modellen, zoals gepubliceerd in de Third Assessment Report van het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). Dit geldt ook voor het eenvoudige klimaatmodel, wat in dit rapport wordt beschreven en wat de mondiaal gemiddelde klimaatverandering en zeespiegelstijging berekent. Naast de belangrijkste kenmerken van de submodellen, wordt ook de meest relevante wetenschappelijke achtergrond geschetst. Eveneens worden voor een aantal mondiale indicatoren de resultaten vergeleken met observaties en resultaten van meer complexe modellen en wordt aangetoond voor deze indicatoren dat het atmosfeer-oceaan systeem in de periode 1970 - 1995 goed benadert. Elk hoofdstuk wordt afgesloten met projecties tot 2100 volgens de SRES scenario's van het IPCC, zoals die door het IMAGE team in 2001 zijn gepubliceerd

    Validation of the exposure assessment for veterinary medicinal products.

    Get PDF
    Under the EU Directive 2004/28/EC, an environmental risk assessment of new veterinary medicinal products is required. Given the nature of risk assessment for new applications, there is a need to model exposure concentrations. Critical evaluations are essential to ensure that the use of models by regulators does not result in the propagation of misleading information. The empirical validations of soil exposure models, previously discussed in this journal, indicate that it is impossible to analyse the contribution of every model parameter to the variability in the predictions. In particular, the prediction of the slurry concentration is challenged by uncertainties concerning dilution, mixing and dissipation of residues. Surface water and groundwater models generated highly deviating results compared to the field results, questioning the usefulness of the available screening models. Animal husbandry, slurry handling and environmental conditions throughout Europe are considered in order to define realistic worst case scenarios, to be used in conjunction with distribution models for the environmental risk assessment of veterinary medicinal products at registration. Given the variability in manure management practice throughout Europe, a deterministic approach for the manure-to-soil model was selected. Both worst case and best case scenario were developed. Several modelling assumptions applied in the surface water exposure model for fish nursery effluent were validated against newly available data. Since the available data give no proof that a settling tank contributes to the removal of pesticides from waste water, it is recommended for risk assessment purposes to consider the contribution of the settling tank to removal of pesticides and medicines to be negligible. Surface water dilution factors may be considered to be rather small, a factor of 2, for low flow situations

    Tissue specific mutagenic and carcinogenic responses in NER defective mouse models.

    Get PDF
    Several mouse models with defects in genes encoding components of the nucleotide excision repair (NER) pathway have been developed. In NER two different sub-pathways are known, i.e. transcription-coupled repair (TC-NER) and global-genome repair (GG-NER). A defect in one particular NER protein can lead to a (partial) defect in GG-NER, TC-NER or both. GG-NER defects in mice predispose to cancer, both spontaneous as well as UV-induced. As such these models (Xpa, Xpc and Xpe) recapitulate the human xeroderma pigmentosum (XP) syndrome. Defects in TC-NER in humans are associated with Cockayne syndrome (CS), a disease not linked to tumor development. Mice with TC-NER defects (Csa and Csb) are - except for the skin - not susceptible to develop (carcinogen-induced) tumors. Some NER factors, i.e. XPB, XPD, XPF, XPG and ERCC1 have functions outside NER, like transcription initiation and inter-strand crosslink repair. Deficiencies in these processes in mice lead to very severe phenotypes, like trichothiodystrophy (TTD) or a combination of XP and CS. In most cases these animals have a (very) short life span, display segmental progeria, but do not develop tumors. Here we will overview the available NER-related mouse models and will discuss their phenotypes in terms of (chemical-induced) tissue-specific tumor development, mutagenesis and premature aging features
    Web-based Archive of RIVM Publicationsis based in NL
    Access Repository Dashboard
    Do you manage Web-based Archive of RIVM Publications? Access insider analytics, issue reports and manage access to outputs from your repository in the CORE Repository Dashboard! CORE Repository Dashboard!