24 research outputs found

    Public goods and social resistance: A study of the perceptions of risk and vulnerability in the n2 toll road project in the wild coast of the Eastern Cape Province, South Africa

    Get PDF
    The construction of the N2 Toll Road in the Wild Coast has been lauded for its ‘developmental agenda’, as the government envisages, this 550 km road project linking Eastern Cape and KwaZulu Natal provinces will act as a game changer to the socio-economic status of the region in a manner beneficial to local people and the nation in general. However, the road project has equally been criticised by several local communities and environmental advocacy groups who suspect the road is associated with controversial titanium mining and its anticipated socio-ecological disasters in the region. Drawing from this conundrum, this study explores intersections of the diverse perceptions of stakeholders on infrastructural provisioning for development purposes in a historically deprived area in South Africa. Using a qualitative research approach in the form of face-to-face interviews with the participants, focus group discussions, secondary data review and observations, the study found that the diverse perceptions of risk and vulnerability have divided the stakeholders into those who support and those who oppose the road project. Most importantly, the study has also found that although there is deep-seated resentment towards the road project among certain grassroots groups, the general view shared among the study communities is nuanced. In other words, there is no ‘hardline collective opposition’ against the road project among local communities. Drawing from these findings, the study recommends that land audit need to be conducted prior to the commencement of infrastructure projects in order to highlight possible tenure blockages. In addition, the study recommends that it is critical for developers and policy makers to recognize the significance of cultural spaces and sacred places for community cultural health. These factors are critical to weigh against the proposed infrastructure developments as they sometimes outweigh the benefits. The study was anchored on the cultural theory of risk perception, which helped to explore the complex interactions between different actors on infrastructural development and environmental policy discourse.Thesis (PhD) -- Faculty of Social Sciences and Humanities, 202

    Public goods and social resistance: A study of the perceptions of risk and vulnerability in the n2 toll road project in the wild coast of the Eastern Cape Province, South Africa

    Get PDF
    The construction of the N2 Toll Road in the Wild Coast has been lauded for its ‘developmental agenda’, as the government envisages, this 550 km road project linking Eastern Cape and KwaZulu Natal provinces will act as a game changer to the socio-economic status of the region in a manner beneficial to local people and the nation in general. However, the road project has equally been criticised by several local communities and environmental advocacy groups who suspect the road is associated with controversial titanium mining and its anticipated socio-ecological disasters in the region. Drawing from this conundrum, this study explores intersections of the diverse perceptions of stakeholders on infrastructural provisioning for development purposes in a historically deprived area in South Africa. Using a qualitative research approach in the form of face-to-face interviews with the participants, focus group discussions, secondary data review and observations, the study found that the diverse perceptions of risk and vulnerability have divided the stakeholders into those who support and those who oppose the road project. Most importantly, the study has also found that although there is deep-seated resentment towards the road project among certain grassroots groups, the general view shared among the study communities is nuanced. In other words, there is no ‘hardline collective opposition’ against the road project among local communities. Drawing from these findings, the study recommends that land audit need to be conducted prior to the commencement of infrastructure projects in order to highlight possible tenure blockages. In addition, the study recommends that it is critical for developers and policy makers to recognize the significance of cultural spaces and sacred places for community cultural health. These factors are critical to weigh against the proposed infrastructure developments as they sometimes outweigh the benefits. The study was anchored on the cultural theory of risk perception, which helped to explore the complex interactions between different actors on infrastructural development and environmental policy discourse.Thesis (PhD) -- Faculty of Social Sciences and Humanities, 202

    ARC-Rapporten 2012-94

    No full text
    In opdracht van de gemeente Wijk bij Duurstede heeft Archaeological Research & Consultancy (ARC bv) een bureauonderzoek en karterend inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd voor de locatie Kromme Stelakker 6 te Cothen. Aanleiding voor het onderzoek vormt de voorgenomen nieuwbouw van een appartementencomplex. Het veldonderzoek heeft tot doel om de archeologische verwachting te verfijnen door middel van veldwaarnemingen en zo tot een advies te komen met betrekking tot eventuele vervolgstappen in de AMZ-cyclus. De onderzoekslocatie ligt op oeverafzettingen van de Kromme Rijn waarop archeologische resten kunnen voorkomen uit de periode vanaf de IJzertijd. Door de ligging langs de middeleeuwse ontginningsas heeft de verwachting voor de onderzoekslocatie vooral betrekking op resten uit de periode vanaf de Vroege Middeleeuwen die samenhangen met het ontstaan van Cothen. Door de ligging op de zuidoever van de Kromme Rijn kunnen mogelijk nog resten aanwezig zijn van de romeinse Limesweg. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat de bodem op de onderzoekslocatie tot een diepte van 30 tot max. 110 cm –mv is geroerd. In dit geroerde pakket zijn, naast recenter materiaal, in twee boringen twee fragmenten (laat-)middeleeuws aardewerk gevonden. Onder het geroerde pakket zijn in het grootste deel onverstoorde oeverafzettingen van de Kromme Rijn aanwezig waarin in drie boringen fosfaat is aangetroffen. Hierdoor kunnen er mogelijk nog intacte bewoningsresten uit de periode vanaf de Late Middeleeuwen op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Op de onderzoekslocatie zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van resten van de romeinse Limesweg. Onder de oeverafzettingen van de Kromme Rijn zijn, gescheiden door een laag komafzettingen, oever- en beddingafzettingen van de stroomgordel van Houten aanwezig. Hierin zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Door de mogelijke aanwezigheid van bewoningsresten uit de periode vanaf de Late Middeleeuwen die bij de voorgenomen nieuwbouw worden bedreigd, wordt vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven geadviseerd

    ARC-Rapporten 2010-169

    No full text
    De onderzoekslocatie ligt in het westelijke veengebied, aan de rand van het perimariene gebied. Het noorden van het onderzoeksgebied ligt op de perimariene crevasse van Waarder. Deze afzettingen hebben een hoge trefkans op archeologische resten en/of sporen uit de IJzertijd – Nieuwe Tijd. In de directe omgeving is slechts één waarneming bekend op deze afzettingen uit de Late Middeleeuwen. Het grootste gedeelte van de onderzoekslocatie is een ontgonnen veenvlakte (met of zonder klei/zand). Deze veenvlakte heeft een lage archeologische trefkans voor de periode Middeleeuwen – Nieuwe Tijd. In 1615 was er waarschijnlijk al bebouwing in het uiterste noorden van het onderzoeksgebied. Het grootste deel van het gebied is tot op heden in gebruik als weiland. Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat in het noorden van het onderzoeksgebied nog afzettingen van de crevasse van Waarder aanwezig zijn. Deze crevasse-afzettingen gaan geleidelijk over in komafzettingen en worden afgedekt door een veenlaag. Aan de top van de crevasse-afzettingen zijn dan ook geen sporen van bodemvorming waargenomen. In het grootste deel van het onderzoeksgebied bestaat de bodem uit een dik veenpakket waarin enkele lagen komklei voorkomen. Het dekzand ligt in het onderzoeksgebied op een diepte van 7,7 m –mv. Op basis van deze bodemopbouw wordt geconcludeerd dat er waarschijnlijk geen archeologische waarden op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Bovendien zijn er in de boringen geen archeologische indicatoren aangetroffen

    ARC-Rapporten 2010-258

    No full text
    De onderzoekslocatie ligt in het westelijke veengebied, aan de rand van het perimariene gebied. De locatie ligt net naast afzettingen van de perimariene Crevasse van Waarder. Deze afzettingen hebben een hoge trefkans op archeologische resten en/of sporen uit de Bronstijd ? Nieuwe Tijd. In de directe omgeving zijn echter geen waarnemingen bekend. Het omliggende gebied en de onderzoekslocatie zelf bestaan uit een ontgonnen veenvlakte. Deze veenvlakte heeft een lage archeologische trefkans voor de periode Middeleeuwen ? Nieuwe Tijd. De locatie is tot op heden onbebouwd en lange tijd in gebruik geweest als weiland. Op basis van deze resultaten wordt geconcludeerd dat er waarschijnlijk geen archeologische waarden op de onderzoekslocatie aanwezig zijn

    ARC-Rapporten 2010-225

    No full text
    De onderzoekslocatie ligt op de overgang van gordeldekzanden van de Stuwwal van Enter naar een dekzandlaagte gevormd door het beekdal van de Boven Regge. Op de onderzoekslocatie zijn zwarte enkeerdgronden aanwezig. De onderzoekslocatie ligt binnen een archeologische monument van hoge waarde waar in het verleden nederzettingsresten zijn gevonden uit de perioden Laat Paleolithicum en Bronstijd – Nieuwe Tijd. Hiernaast zijn begravingen gevonden uit de periode Bronstijd – Romeinse tijd. Ook op de gordeldekzanden op de oostflank van de Stuwwal van Enter zijn in het verleden nederzettingsresten en grafvelden aangetroffen uit de periode Bronstijd – Nieuwe Tijd. Geconcludeerd mag worden dat in ieder geval in de periode Bronstijd – Nieuwe Tijd de Stuwwal van Enter met omliggende gordeldekzanden intensief is bewoond. Hiernaast is sprake van een ‘dodenlandschap’ uit de periode Bronstijd – Romeinse Tijd. Ten noordwesten van de onderzoekslocatie lag in de Late Middeleeuwen waarschijnlijk een havezate, De Berghorst. De exacte ligging van deze havezate is nog onbekend. De onderzoekslocatie heeft door de ligging op de overgang van gordeldekzanden naar een dekzandlaagte een hoge trefkans op archeologische vondsten uit alle perioden, waarbij het zuidelijke deel de hoogste kans heeft door de ligging op gordeldekzanden. De percelering van het perceel is in het verleden vaak veranderd. Hiernaast is op het centrale- en waarschijnlijk ook op het zuidoostelijke terreindeel sprake geweest van bebouwing. Het noordelijke terreindeel is in het recente verleden waarschijnlijk opgehoogd. Bij de eerste fase van het veldonderzoek is op de onderzoekslocatie een humeuze, donkere bovengrond aangetroffen met een dikte vari¨erend tussen 0,35 – 0,8 m dikte. Van deze bovengrond kon op het noordelijke terreindeel niet met zekerheid worden vastgesteld of het een eerddek betrof of dat er sprake was van een recent ophogingpakket. Op het noordelijke terreindeel zijn in het verleden waarschijnlijk beekeerdgronden aanwezig geweest. Op het centrale terreindeel was niet met zekerheid vast te stellen wat het bodemprofiel is geweest v´o´or ingebruikname door de mens (vóór de aanleg van het eerddek). Het originele bodemprofiel is hier opgenomen in het eerddek. Op de onderzoekslocatie zijn in de boringen geen duidelijke aanwijzingen gevonden voor een vindplaats. Bij de tweede fase in het zuidelijk deel van het terrein bleek dat de bodem grotendeels is vergraven tot in de C-horizont. Het mogelijk aanwezige eerddek is geheel verstoord. Op de overgang van het vergraven pakket naar de C-horizont zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het karterend booronderzoek wordt geconcludeerd dat er binnen het gehele onderzoeksgebied waarschijnlijk geen sprake is van een archeologische vindplaats

    ARC-Rapporten 2011-52

    No full text
    Volgens het bureau-onderzoek ligt de onderzoekslocatie in het westelijk veengebied op de beddinggordel van de Oude Rijn. Op afzettingen van de Oude Rijn is ter plaatse van de onderzoekslocatie bewoning mogelijk geweest vanaf de IJzertijd. In de omgeving zijn ook archeologische resten gevonden vanaf de IJzertijd, maar het merendeel dateert echter uit de Romeinse Tijd. De Oude Rijn vormde de noordgrens van het Romeinse Rijk in Nederland. Daarnaast ligt de locatie binnen het oude bebouwingslint van Leiderdorp op de oever van de Oude Rijn. Hierdoor is er een verhoogde kans op archeologische resten vanaf de Middeleeuwen. De locatie is momenteeel grotendeels bebouwd. Mogelijk is de bodem op de onderzoekslocatie verstoord bij de bouw van de huidige bebouwing. Uit het verkennende booronderzoek is gebleken dat de onderzoekslocatie waarschijnlijk binnen een (kronkelwaard)geul van de Oude Rijn ligt. De top van de afzettingen is waarschijnlijk recent verstoord tot een diepte van 1,2 m –mv. Dit geroerde pakket bestaat ook deels uit een ophoging. Het niveau van het oorspronkelijke maaiveld was in de boringen niet te bepalen, maar mogelijk zijn onder de ophoging nog oude resten bewaard gebleven. In alle boringen is in het geroerde pakket puin aangetroffen. Het betreft deels recent puin, maar mogelijk zijn nog resten van middeleeuwse en/of nieuwetijdse steenbouw binnen de onderzoekslocatie aanwezig. Op basis van de resultaten van het verkennend booronderzoek wordt geconcludeerd dat binnen de onderzoekslocatie mogelijk nog archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn

    ARC-Rapporten 2010-209

    No full text
    Het onderzoeksgebied ligt op een crevasse van de Stroomgordel van Hennisdijk. Deze stroomgordel was actief van van 3818 tot 2975 BP. De crevasse binnen het onderzoeksgebied dateert waarschijnlijk uit het begin van de actieve fase van deze stroomgordel. De crevasseafzettingen zijn waarschijnlijk afgedekt door oever- of crevasseafzettingen van de Linge (actief vanaf 2160 BP). Op grotere diepte zijn mogelijk nog oeverafzettingen van de Stroomgordel van Schaik (actief van 5285 tot 4240 BP) aanwezig. Door de ligging op de crevasse van de Stroomgordel van Hennisdijk heeft de onderzoekslocatie een hoge trefkans op archeologische resten uit de periode Bronstijd – Middeleeuwen. Op dezelfde crevasse als die over de onderzoekslocatie loopt zijn op 170 m ten oosten van de locatie nederzettingsresten uit de Romeinse Tijd aangetroffen. Verder van de locatie zijn op afzettingen van de Stroomgordel van Hennisdijk ook resten aangetroffen uit de IJzertijd en Late Middeleeuwen. De afzettingen van de Linge hebben binnen het onderzoeksgebied een middelhoge trefkans op resten vanaf de Vroege Middeleeuwen. Uit het verkennend booronderzoek is gebleken dat de bodemopbouw vrijwel geheel intact is. Centraal over het onderzoeksterrein loopt een crevasse van de Linge (zie afb. 11). In het grootste deel van het onderzoeksgebied zijn komafzettingen aan de top aanwezig. Onder deze komafzettingen en de crevasse van de Linge, zijn in het grootste deel van het onderzoeksterrein afzettingen van de crevasse van de Stroomgordel van Hennisdijk aanwezig. In het noordelijk deel van het terrein is ook beddingzand van deze crevasse aangetroffen. In één boring is in de komafzettingen boven de afzettingen van de crevasse van de Stroomgordel van Hennisdijk een klein fragment ‘terra sigillata’-aardewerk uit de Romeinse Tijd gevonden. Het betreft, gezien de ligging in komafzettingen, waarschijnlijk een losse vondst die gekoppeld kan worden aan het ten oosten gelegen nederzettingsterrein uit de Romeinse Tijd. Dit betekent ook dat de crevasse-afzettingen al in de Romeinse Tijd zijn afgedekt door komafzettingen. Op grotere diepte zijn in twee boringen nog oeverafzettingen van waarschijnlijk de Stroomgordel van Schaik aangetroffen. Aan de top van deze oeverafzettingen zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen waaruit blijkt dat dit niveau geschikt geweest is voor bewoning. Geconcludeerd wordt, dat op basis van de aanwezigheid van onverstoorde crevasseafzettingen van de Linge en de Stroomgordel van Hennisdijk, voor een groot deel van de locatie een middelhoge tot hoge archeologische trefkans blijft gelden. Voor de delen waar alleen komafzettingen zijn aangetroffen, geldt een lage trefkans

    ARC-Rapporten 2012-101

    No full text
    In opdracht van Royal Haskoning heeft Archaeological Research & Consultancy (ARC bv) een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd voor het project Polderhoofdkanaal te Nij Beets dat bestaat uit twee deelgebieden, de Kraanlannen en het Alddjip. Aanleiding tot dit onderzoek vormt vergunningaanvraag voor de herinrichting en voorgenomen ontgravingen. Het veldonderzoek heeft tot doel om de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te verfijnen door middel van veldwaarnemingen en zo tot een advies te komen met betrekking tot eventuele vervolgstappen in de AMZ-cyclus. Kraanlannen Deelgebied 1 ligt ten noordwesten van Nij Beets, in het Friese veengebied waar op het veen middeleeuwse veenterpen kunnen worden verwacht. Onder het veen kunnen in de top van het zand resten uit de steentijden worden verwacht. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat er binnen deelgebied 1 geen zandopduiking of dekzandrug met een intact podzolprofiel aanwezig is. Hieruit blijkt dat de locatie relatief hoge grondwaterstanden kende en daardoor waarschijnlijk minder aantrekkelijk was voor bewoning in de steentijden. In de top van het veen dat het dekzand afdekt zijn geen archeologische indicatoren of andere aanwijzingen aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een veenterp binnen deelgebied 1. Hierdoor worden er bij de geplande werkzaamheden waarschijnlijk geen archeologische waarden bedreigd en wordt vrijgave geadviseerd. Alddjip Deelgebied 2 ligt ten zuidwesten van Nij Beets. Ook hier kunnen middeleeuwse (veen)terpen worden verwacht en in de top van het zand onder het veen resten uit de steentijden. Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat er in deelgebied 2 aan de top een pakket mariene afzettingen aanwezig is dat erosief is afgezet op het onderliggende veen. In de boringen zijn geen aanwijzingen aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van (veen)terpen in deelgebied 2. In het zand onder het veen is geen dekzandrug met een intacte podzolbodem aangetroffen. Bovendien is de top van het zand deels verspoeld. Hieruit blijkt dat er sprake was van een laaggelen nat gebied dat in de steentijden waarschijnlijk niet aantrekkelijk was voor bewoning. Hierdoor worden er bij de geplande werkzaamheden waarschijnlijk geen archeologische waarden bedreigd en wordt vrijgave geadviseerd
    corecore