10.17026/dans-xhb-z42z

15106247 APE.LOO.ARC Eindrapportage (versie 3) archeologisch onderzoek Koninklijk Park 1 te Apeldoorn

Abstract

Gespecificeerde archeologische verwachting Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied een ligging heeft op een hoger gelegen daluitspoelingswaaier als overgangs-/randzone van de ten westen gelegen Oost-Veluwse stuwwal naar het ten oosten gelegen Pleistocene bekken van de Gelderse IJssel (waar de huidige Gelderse IJssel doorheen stroomt). Deze landschappelijke eenheden hadden in principe al voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) een gunstige ligging als tijdelijke nederzettingslocatie (jacht-kampementen). Vanaf het Neolithicum was de daluitspoelingswaaier ook geschikt als nederzettingslocatie voor Landbouwers. Het plangebied heeft deel uitgemaakt van de Loosche Enk, een land-bouw-/essencomplex dat ten noordwesten van de historische kern van Apeldoorn lag en landschap-pelijk de hogere delen van de daluitspoelingswaaier omvatte. De verzameling van boerderijen vormde het buurtschap Het Loo. Het betrof echter ook een locatie die in trek was bij de adel. In 1685 wordt door Willem III het besluit genomen om het huidige Paleis Het Loo te laten bouwen. Onderhavig plan-gebied werd omgevormd tot de basse-cour (voortuin) van het paleis, dat gebruik werd voor het ontvangen van gasten de vaak per koets werden vervoerd. Centraal in de basse-cour kwam een dolfijnenfontein te staan. Waarschijnlijk is de basse-cour in de loop van meer dan 300 jaar meerdere malen hernieuwd, maar de inrichting is altijd vergelijkbaar gebleven, met rondom de centraal gelegen fontein gelegen terreindelen grasland en daarbuiten verhardingen (heden voorzien van een klinkerverharding). In 1912 is in het noordelijke deel van het plangebied een tunnel aangelegd, als verbinding tussen de twee vleugels van Paleis het Loo. Het plangebied heeft een middelhoge verwachting op het voorkomen van resten van Jagers-Verzamelaars en laatprehistorische Landbouwers (Laat-Paleolithicum t/m Romeinse tijd). De middelhoge verwachting is gebaseerd op dat er in de omgeving van het plangebied tot op heden geen archeologische resten van Jagers-Verzamelaars en laatprehistorische Landbouwers zijn aangetroffen. Voor de perioden Middeleeuwen en Nieuwe tijd tot voor 1685 als ná 1685 is de verwachting hoog. Voor de periode ná 1685 gaat het specifiek om resten die te relateren zijn aan het Paleis Het Loo. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw is ter plaatse van het westelijke, het centraal-westelijke, het zuidelijke deel en de noordoosthoek van het plangebied nog deels intact. Onder een gemiddeld 70 cm dikke laag cunet-/stabilisatiezand resteert een gemiddeld 30 cm dik plaggendek, gevolgd door de Bws- en vervolgens de BC-horizont. Het archeologische sporenniveau is hier nog intact aanwezig en zal meest zichtbaar zijn op de overgang van de BC- naar C-horizont, op een diepte van circa 150 cm -mv. In het centraal-oostelijke en noordelijke deel van het plangebied hebben diepere bodemverstorende ingrepen plaatsgevonden, tot gemiddeld 160 cm -mv. Verwacht wordt dat deze verstoringen mede zijn veroorzaakt door de aanleg van kabels en leidingen. Vanuit de Klic-melding is bekend is dat door het centraal-oostelijke en noordelijke deel van het plangebied een hoogspanningsleiding loopt. Tevens loopt er een waterleiding onder het oostelijke deel van het Paleis het Loo naar de Dolfijnenfontein. Onder het verstoringsniveau bevindt zich direct de C-horizont. Omdat het archeologisch niveau, ter plaatse van de terreindelen waar sprake is van een deels intacte bodemopbouw, is vastgesteld op een gemiddelde diepte van circa 150 cm -mv, geldt dat in het centraal-oostelijke en noordelijke deel van het plangebied de verstoringen doorlopen tot circa 10 cm onder het archeologisch niveau. Dit betekend dat het archeologisch niveau is verstoord/aangetast, maar dat dieper doorlopende sporen echter nog intact aanwezig kunnen zijn. Er zijn in géén van de boringen in situ liggende archeologische indicatoren aangetroffen tijdens het onderzoek. De aangetroffen laag bitumen ter plaatse van boring 5 betreft een beschermingslaag van een aanwezige tunnel die in 1912 is aangelegd, als verbinding van de twee vleugels ter weerszijden van de basse-court. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de middelhoge archeologische verwachting voor resten van Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) en de hoge verwachting voor resten van Landbouwers (vanaf het Neolithicum) met een matig tot hoge vondstdichtheid kan worden bijgesteld worden naar een lage verwachting. Omdat het archeologisch niveau maar deels is aangetast blijft de hoge archeologische verwachting voor Landbouwers (vanaf het Neolithicum) waarbij sprake is van een vondstarme site, wel behouden. Voor dergelijke sites is een karterend booronderzoek ook geen geschikte methode. De aanwezige en in 1912 gebouwde tunnel in het noordelijke deel van het plangebied, als verbinding van de twee vleugels ter weerszijden van de basse-court, kan feitelijk gezien worden als een bouw-structuur van archeologische waarde (ouder dan 50 jaar). Deze structuur kan door middel van gravend onderzoek verder worden onderzocht. Ook kan alleen door middel van gravend onderzoek als vervolgonderzoek bepaald worden of er nog ondergrondse delen/restanten van oudere waterwerken (pijpleidingen) aanwezig zijn en waar vanuit bepaald kan worden in welke richting deze doorlopen in de richting van de paleismuren die naar de centraal in het plangebied gelegen Dolfijnenfontein lopen. Selectieadvies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om binnen het plangebied een archeologisch gravend onderzoek te laten uitvoeren door middel van een proefsleuvenonderzoek binnen het gehele plangebied, met een mogelijke doorstart naar een definitieve opgraving. Daarbij dienen de proefsleuven zo verdeeld en georiënteerd te worden dat deze deels binnen de locatie van de tunnel (in het noordelijke deel van het plangebied) en de terreindelen direct rondom (binnen een straal van 2 meter) de Dolfijnenfontein (in het midden van het plangebied) komen te liggen. Voor het proefsleuvenonderzoek met mogelijke doorstart naar een opgraving dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Apeldoorn). Door het bevoegd gezag is aanvullend aangegeven dat er behalve voor infrastructurele elementen/werken geldt er ook nog een verwachting geldt voor andere vondsten uit de tijd van de bouw en het gebruik als paleis, wegens diverse vondsten die elders rond het paleis zijn gedaan. Er dient dan ook een archeologische en/of bouwhistorische begeleiding te worden uitgevoerd komen voor het graven en breken in en onder het paleis, ten behoeve van de verbindingen met de geplande nieuwbouw. Er geldt in ieder geval een plicht om archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet. In dit geval is het bevoegd gezag de gemeentearcheoloog (archeologie@apeldoorn.nl)

Similar works

Full text

thumbnail-image

Electronic Archiving System

Full text is not available
oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:66341Last time updated on 9/8/2019

This paper was published in Electronic Archiving System.

Having an issue?

Is data on this page outdated, violates copyrights or anything else? Report the problem now and we will take corresponding actions after reviewing your request.