Article thumbnail
Location of Repository

Distress and spousal support in women with breast cancer

By Stefan Cornelis Herman Hinnen

Abstract

In dit proefschrift wordt een onderzoek beschreven naar de rol van partners in het aanpassingsproces van vrouwen met borstkanker. Het onderzoek had drie doelstellingen te weten: (1) het nagaan van de invloed van de diagnose borstkanker op het emotionele welzijn van patiënten en hun partners, (2) het vergroten van het inzicht in determinanten van verschillende manieren waarop vrouwen met borstkanker door hun partners worden gesteund en (3) het verkrijgen van meer inzicht in de mate waarvan de gevolgen die de steun van de partner heeft voor het welzijn van vrouwen met borstkanker afhangt van individuele kenmerken van deze vrouwen. Tweeënnegentig vrouwen met borstkanker en hun mannelijke partners vulden over een periode van 12 maanden negen keer met tussenpozen van zes weken een vragenlijst in. Het eerste meetmoment vond ongeveer drie maanden na diagnose plaats. Naast vrouwen met borstkanker en hun partners werden tweeënzestig vrouwen en hun partners uit de algemene populatie onderzocht. Bij de inclusie van paren uit de algemene populatie werd erop gelet dat de leeftijd, het opleidingsniveau en de regio waarin men woonde gelijk waren aan die van de paren die geconfronteerd waren met kanker. In dit proefschrift worden vier deelstudies beschreven met ieder hun eigen vraagstelling. In de eerste studie van dit proefschrift staat het emotionele welzijn van vrouwen met borstkanker en hun partners centraal. De vraag is of vrouwen met borstkanker en hun partners angstiger en depressiever zijn dan mannen en vrouwen uit de algemene populatie en hoe deze gevoelens zich ontwikkelen over de tijd. De resultaten lieten zien dat vrouwen met borstkanker gemiddeld genomen iets meer gevoelens van angst en depressie rapporteren dan vrouwen zonder borstkanker. Hoewel deze gevoelens afnamen over de tijd bleven patiënten tot vijftien maanden na de diagnose angstiger en depressiever dan vrouwen zonder borstkanker. Wanneer echter alleen werd gekeken naar klinisch verhoogde niveaus van angst en depressie, een score boven een van tevoren vastgesteld punt wat wijst op een stemmings- of aanpassingsstoornis, dan vonden we geen verschillen tussen vrouwen met en zonder borstkanker. Deze resultaten laten zien dat hoewel vrouwen met borstkanker meer gevoelens van angst en depressie rapporteren dan vrouwen zonder borstkanker ze niet zoveel angstiger en depressiever zijn dat ze meer kans hebben op een stemmings- of aanpassingsstoornis. Partners van vrouwen met borstkanker verschilden vrijwel niet van mannen uit de gewone populatie. Wanneer angst en depressie voor patiënten en partners gezamenlijk werd onderzocht, dan bleek dat paren geconfronteerd met kanker vooral kort na de diagnose meer kans hadden op klinisch verhoogde niveaus van angst en depressie dan paren uit de algemene populatie. Dit verschil nam echter af over de tijd en op het einde van de studie verschilden paren geconfronteerd met kanker en paren uit de algemene populatie niet langer van elkaar. Op basis van deze resultaten kan geconcludeerd worden dat hoewel borstkanker een stressvolle gebeurtenis is, het in deze groep patiënten en hun partners niet leidt tot langdurig klinisch verhoogde niveaus van angst en depressie. In de tweede studie van dit proefschrift staat de vraag centraal welke partners hun zieke vrouw op welke manier steunen. Daarbij werd een onderscheid gemaakt tussen twee vormen van steun binnen de partnerrelatie, actieve betrokkenheid en beschermend bufferen. Actieve betrokkenheid wordt gekenmerkt door het actief luisteren en het informeren naar gevoelens en gedachten van de patiënt. Beschermend bufferen wordt daarentegen gekenmerkt door het vermijden van negatieve gevoelens en het wegwuiven van zorgen en twijfels van de patiënt. We waren in het bijzonder geïnteresseerd in de factoren die deze manieren van steunverlening kunnen verklaren. Daarbij richtten we ons op een drietal factoren: het emotionele welzijn van de partner, de mate van neuroticisme (emotionele stabiliteit) van de partner, en de tijd sinds de diagnose borstkanker. De resultaten toonden aan dat beschermend bufferen voor een groot deel werd verklaard door het emotionele welzijn en de mate van neuroticisme van de partner. Dit was het geval op drie, negen en vijftien maanden na de diagnose. Deze resultaten wijzen erop dat partners die zelf meer spanningen ervaren en emotioneel minder stabiel zijn meer geneigd zijn negatieve gevoelens en gedachten van hun zieke partner te vermijden en te bagatelliseren. Actieve betrokkenheid hing minder sterk samen met het emotionele welzijn van partners of hun neurotische aard. Alleen op drie maanden na de diagnose vonden we dat weinig gevoelens van angst en depressie in partners die ook laag scoorden op neuroticisme gerelateerd waren aan meer actieve betrokkenheid. Op de andere tijdstippen vonden we deze samenhang niet. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat in de acute crisis situatie relatief kort na de diagnose vooral partners die emotioneel stabiel zijn en zelf weinig angst en depressie ervaren in staat zijn actief te luisteren en informeren naar de gevoelens en gedachten van de patiënt. Zodra deze acute fase achter de rug is, zijn wellicht ook minder emotioneel stabiele partners en partners die zelf angstiger en depressiever zijn in staat actief betrokken te zijn bij hun partner. Verder bleek dat partners over het algemeen minder actieve betrokkenheid en minder beschermend bufferen rapporteerden over de tijd. Dit laatste wijst erop dat de noodzaak om kanker gerelateerde onderwerpen en gevoelens te bespreken dan wel te vermijden afneemt wanneer de tijd sinds de diagnose verstrijkt. In de derde studie onderzochten we (1) of vrouwen met en zonder borstkanker verschilden in relatietevredenheid, (2) of de assertiviteit van vrouwen invloed heeft op hun relatietevredenheid, (3) of dat verschillend was in vrouwen met en zonder borstkanker, (4) of de manier waarop een partner zijn vrouw steun (actieve betrokkenheid en het beschermend bufferen) was geassocieerd met de relatietevredenheid van patiënten. Tot slot, (5) waren we geïnteresseerd of het verband tussen aan de ene kant actieve betrokkenheid en beschermend bufferen en aan de andere kant relatietevredenheid werd gemodereerd door de mate van assertiviteit van patiënten. Vaak wordt aangenomen dat wanneer partners meer betrokken zijn en minder beschermend, patiënten meer tevreden zijn. Echter, of partnersteun geassocieerd is met meer of minder relatietevredenheid hangt mogelijk voor een deel af van de assertiviteit van de patiënt. Assertiviteit wijst op de mate waarin iemand geneigd is persoonlijke gevoelens en gedachten te uiten en zich kenbaar te maken naar anderen. De resultaten lieten zien (1) dat vrouwen met en zonder borstkanker even tevreden waren over hun relatie op drie en negen maanden na de diagnose, (2) dat minder assertieve vrouwen minder tevreden waren over hun relatie maar (3) dat dit alleen gold voor vrouwen met borstkanker. Verder bleek (4) dat patiënten die hun partner zagen als actief betrokken meer tevreden waren over hun relatie op drie en negen maanden na diagnose terwijl patiënten die hun partner zagen als meer beschermend minder tevreden waren over hun relatie op dezelfde tijdstippen. Tot slot, (5) bleek dat vooral meer assertieve vrouwen minder tevreden waren over hun relatie als een partner werd gezien als meer beschermend. We vonden dit patroon op zowel drie als negen maanden na de diagnose. Verder wezen de resultaten er op dat een meer actief betrokken houding van een partner vooral in minder assertieve vrouwen leidde tot meer relatietevredenheid over tijd. Concluderend, een gebrek aan assertiviteit lijkt een risicofactor voor minder relatietevredenheid in vrouwen met borstkanker maar niet in vrouwen zonder borstkanker. Daarnaast lijkt een beschermende houding van een partner vooral voor meer assertieve vrouwen met borstkanker een risicofactor maar niet voor minder assertieve vrouwen met borstkanker. In de vierde en laatste deelstudie staat de relatie tussen het steungedrag van partners (actieve betrokkenheid en beschermend bufferen) en het emotionele welzijn van patiënten centraal. In deze studie waren we niet alleen geïnteresseerd in de actieve betrokkenheid en het beschermend bufferen van partners zoals waargenomen door patiënten maar ook zoals gerapporteerd door partners zelf. Door gebruik te maken van het perspectief van zowel de patiënt als de partner is het mogelijk om te onderzoeken of steungedrag wat gerapporteerd wordt door een partner maar niet wordt waargenomen door een patiënt invloed heeft op het emotionele welzijn van de patiënt. Wanneer dat het geval is kan dat betekenen dat onbewuste processen een rol spelen zoals in de literatuur wordt gesuggereerd. Verder waren we geïnteresseerd of de relatie tussen het steungedrag van partners en het emotionele welzijn van patiënten werd gemodereerd door het gevoel van controle wat patiënten hebben over hun leven. De resultaten lieten zien dat actieve betrokkenheid niet maar beschermend bufferen wel was gecorreleerd met gevoelens van angst en depressie bij patiënten. Vrouwen die hun partners zagen als meer beschermend, rapporteerden vooral op de korte termijn meer gevoelens van angst en depressie. Dit verband werd niet beïnvloed door het gevoel van controle van patiënten. Verder bleek dat op de korte termijn beschermend bufferen wat gerapporteerd werd door partners maar niet werd waargenomen door patiënten was geassocieerd met relatief veel gevoelens van angst en depressie maar alleen in patiënten die weinig controle ervaren over hun leven. Op de langere termijn was beschermend bufferen dat gerapporteerd werd door partners maar niet werd waargenomen door patiënten geassocieerd met meer angst en depressieve gevoelens in alle patiënten, ongeacht hun gevoel van controle. Deze resultaten wijzen erop dat het steungedrag van partners invloed kan hebben op het aanpassingsproces van patiënten zelfs als patiënten zich niet bewust zijn van dit gedrag. Tot slot Dit onderzoek heeft een aantal duidelijke sterke kanten, zoals de longitudinale opzet met meerdere meetmomenten, een controlegroep uit de algemene bevolking en de aanwezigheid van data van patiënten en hun partners. Hierdoor was het mogelijk om de doelen van het onderzoek te realiseren en een gedetailleerd beeld te krijgen van het dynamische verloop van gevoelens van angst en depressie in vrouwen met borstkanker en hun partners en van de rol van partnersteun in het welzijn van patiënten. Meer in het bijzonder hebben we laten zien dat hoewel een diagnose borstkanker het emotionele welzijn van patiënten aantast het slechts in een heel kleine groep leidt tot blijvende psychische problemen. Een diagnose borstkanker lijkt veel minder invloed te hebben op het emotionele welzijn van partners. Verder lieten we zien dat het emotionele welzijn en de emotionele stabiliteit van partners invloed heeft op hun steungedrag en dat de uitkomst van het steungedrag van partners afhangt van de assertiviteit van de patiënten, hun gevoel van controle, en de mate waarin zij zich bewust zijn van het gedrag van hun partner. Naast sterke kanten heeft het onderzoek echter ook enkele methodologische beperkingen. De meest belangrijke daarvan is dat het percentage patiënten en partners wat meewilde doen aan deze studie gering was, namelijk 32% van het totale aantal paren dat werd benaderd. Hoewel een dergelijk percentage binnen parenonderzoek niet ongebruikelijk is, kan hierdoor de representativiteit van de groep mensen die mee heeft gedaan aan deze studie beperkt zijn. Een andere beperking van deze studie is dat we ons gericht hebben op vrouwen met kanker en hun mannelijke partners. Aangezien geslacht invloed heeft op steungedrag en op emotioneel welzijn zijn de resultaten niet zomaar toe te passen op mannelijke kankerpatiënten en vrouwelijke partners. Ook het feit dat de inclusie ongeveer drie maanden na de diagnose begon is een beperking die in ogenschouw moet worden genomen. Hierdoor zijn we niet in staat om over het verloop van angst en depressie, noch over de rol van partnersteun in de eerste periode na de diagnose iets te zeggen. Ondanks deze beperkingen zijn, door nauwkeurig het verloop van angst en depressie en de effectiviteit van partnersteun te onderzoeken, onze resultaten in staat een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van interventies die rekening houden met de individuele verschillen tussen patiënten.

Topics: Borstkanker , Aanpassing, Partners, Proefschriften (vorm); gynaecologie en obstetrie
Year: 2007
OAI identifier: oai:ub.rug.nl:dbi/473c4386deff8
Download PDF:
Sorry, we are unable to provide the full text but you may find it at the following location(s):
  • http://irs.ub.rug.nl/ppn/30535... (external link)
  • Suggested articles


    To submit an update or takedown request for this paper, please submit an Update/Correction/Removal Request.